Blog

Collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog: feit of fictie?

Thème - Collaboration

Auteur : Willems Bart (Institution : Archives de l'Etat)

foto_bart-willems(2).jpg

Bart Willems

Historicus en archivaris verbonden aan het Rijksarchief Antwerpen-Beveren. Hij heeft onder meer archieven van de Tweede Wereldoorlog geïnventariseerd (de Antwerpse afdelingen van Winterhulp, het Arbeidsambt Antwerpen en de Duitse afdeling van de gevangenis van Merksplas). Daarnaast was hij coauteur en -redacteur van het boek Was opa een nazi? / Papy était-il un nazi? (2017).

Omgaan met een (traumatisch) oorlogsverleden

"P.S. Je mag deze brief laten lezen aan je collega's en je vrienden." Met dit postscriptum sloot Hendrik* zijn brief af. Die schreef hij in januari 2019 naar aanleiding van zijn telefonische vraag of er geen opsluitingsdossier van zijn vader bestond in het Rijksarchief Antwerpen-Beveren? Na de Bevrijding in 1944 zat Hendriks vader een tijd opgesloten in het interneringscentrum van Merksplas. Omdat hij, op jonge leeftijd, zijn vader had zien wegvoeren, had dit – naar eigen zeggen – een trauma veroorzaakt. Hij droomt er nog steeds van. Omdat hij geen computer bezit, verzocht ik hem een brief te schrijven met alle relevante informatie die een gerichte zoektocht naar het dossier mogelijk moest maken. Op drie kantjes papier kreeg ik vervolgens een geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog in zeven mijlslaarzen gepresenteerd.

Op basis van deze ene casus blijkt overduidelijk hoe moeilijk de inbedding van een genuanceerde wetenschappelijk visie op een persoonlijk verhaal verloopt.

Zoeken naar het familiale oorlogsverleden

Staf* zat van september 1944 tot april 1945 in het interneringscentrum van Merksplas opgesloten. Het dossier bleek met behulp van de alfabetische geordende steekkaarten niet zo moeilijk om te vinden. De vraag van Hendrik illustreert dat (klein)kinderen ook vandaag nog op zoek gaan naar de juiste toedracht van het oorlogsverleden van hun (groot)ouders die al dan niet in aanraking kwamen met de bestraffing van collaboratie. De zoektocht naar antwoorden ligt soms emotioneel gevoelig. Bovendien is de aanpak van zo’n speurtocht voor veel mensen moeilijk, want waar moet men beginnen? Onder meer om die reden werd recent het boek Was opa een nazi? Speuren naar het oorlogsverleden (2017, Lannoo) en in Franse vertaling Papy était-il un nazi? Sur les traces d'un passé de guerre (2017, Racine) uitgegeven. Dat boek is opgevat als een wegwijzer naar eigentijdse archieven, met informatie over de bestraffing van al dan niet vermeende collaborateurs en met grote aandacht voor documenten die het individuele traject van de betrokkene blootleggen.

was-opa.jpg
Légende d'origine : Koen Aerts, Dirk Luyten, Bart Willems e.a., Was opa een nazi? Speuren naar het oorlogsverleden, Tielt, Lannoo, 2017 (Aussi en aussi en français 'Papy était-il un nazi? Sur les traces d'un passé de guerre' (2017, Racine) .

In zijn bijdrage op deze website merkt Bruno De Wever op dat "de beeldvorming over België tijdens de Tweede Wereldoorlog […] de laatste decennia fundamenteel [is] veranderd. Nieuwe publicaties, die op stapel staan of pas zijn verschenen, tonen dat aan." Op basis van deze ene brief, stel ik echter vast dat de perspectiefverschuiving zich niet altijd even snel en gemakkelijk in de geesten van nazaten weet te nestelen. Hier botsen we op het probleem dat ook De Wever aankaartte: "Het volstaat niet om onberispelijk academisch onderzoek te verrichten, dat onderzoek moet ook op de een of andere wijze rechtstreeks of onrechtstreeks landen bij een publiek." Maar wat als persoonlijke inzichten en ervaringen een genuanceerde lezing van de geschiedenis in de weg staan?

Moeizame innesteling van academisch onderzoek in de geesten van nakomelingen

greep-naar.jpg
Légende d'origine : Bruno De Wever, Greep naar de macht. Vlaams-nationalisme en Nieuwe Orde. Het VNV 1933-1945, Tielt, Lannoo, 1994.

Volgens Hendrik was zijn vader na de Bevrijding in 1944 door gewapende weerstanders aangehouden. Naast zijn vader was ook de burgemeester van hun dorp naar Hasselt overgebracht. "Deze mensen," zo schrijft hij, "hadden niets met de Duitsers te maken maar waren V.N.V.'ers." Het is voor eenieder met een beetje interesse in de Tweede Wereldoorlog een ietwat merkwaardige – ongelukkige? – conclusie die hier wordt getrokken. Een academisch geschoold historicus die vertrouwd is met Greep naar de macht. Vlaams-nationalisme en Nieuwe Orde. Het VNV 1933-1945 weet dat bovenstaande uitspraak botst met het huidig historisch inzicht. Bovenvermeld standaardwerk is sinds 1994 beschikbaar en de lectuur van deze knoert van een boek - het telt zevenhonderd en een pagina's en nauwelijks plaatjes – had mogelijk ook bij Hendrik tot een meer genuanceerd inzicht kunnen leiden. Het beeld van de reële omvang en betekenis van de repressie in Vlaanderen is echter jarenlang gekleurd; vertroebeld, zo u wil, in allerhande 'aanklachtliteratuur' waar de amnestie-eis nooit veraf was. Het vergoelijken van het eigen of familiaal oorlogsverleden is dan maar een kleine stap.

Nu zijn de opsluitingsdossiers van interneringscentra doorgaans niet de meest spectaculaire of informatieve bronnen, zeker niet indien de betrokkene geen veroordeling door het militaire gerecht had opgelopen. Dat was ook zo in het geval van Staf. De dossiers geven zelden de volledige toedracht van het oorlogsverleden van de betrokkene. De documenten in het dossier zijn voornamelijk bruikbaar om te weten te komen hoe lang een persoon opgesloten zat, wat de aanklacht was en hoe de toestand was tijdens zijn/haar gevangenneming. In het geval van Staf vermeldt het bevel voor internering, opgesteld door de burgemeester van het dorp: "Propagandist voor het Oostfront. Vergaderzaal der Zwarte brigade (sic) - Hevige V.N.V. - Dreef zwarte handel met de Zwarte brigade van Diest." Veel meer weten we op basis van het opsluitingsdossier niet. Wellicht is nog meer informatie te vinden in het geseponeerde strafdossier bij het militaire gerecht en in het dossier van de consultatieve commissie. Meer informatie over deze bronnen is te lezen in Was opa een nazi?.

De perspectiefvernauwing blijkt ook uit andere elementen in de brief. Hendrik begaf zich in de kringen van de georganiseerde oostfrontersgemeenschap. In 1961, zo schrijft hij, "werd ik toevallig [mijn cursivering, B.W.] lid van de Oostfrontgemeenschap en las ik hun tijdschrift. Ook ging ik naar de vergaderingen waar "de zwarten" bijeenkwamen. Zo heb ik wel een paar honderd mensen gekend die na de oorlog in de gevangenis zaten. Niemand had hun medemens een strobreed in de weg gelegd. Wie dat evenwel gedaan had liet zich nergens meer zien volgens hen." Het volstaat te verwijzen naar het boek van Aline Sax Voor Vlaanderen, Volk en Führer (Manteau, 2012) en naar het recente boek van Frank Seberechts Drang naar het Oosten (Polis, 2019) om te weten dat de gewapende strijd aan de zijde van de Duitsers niet alleen ingegeven was door Vlaams-nationalistische en/of anticommunistische motieven. De oostfrontgemeenschap was immers het herinneringsmilieu waar hardliners vasthielden aan de visie dat 'de' repressie in eerste instantie en voornamelijk een wraakoefening was van de Belgische Staat ten aanzien van 'de' Vlaamse beweging. De repressie door de Staat en de straat worden dan dikwijls op een hoopje gegooid en over de relatief snelle strafverminderingspolitiek wordt vervolgens zelden gerept.

voor-vlaanderen.jpg
Légende d'origine : Aline Sax, Voor Vlaanderen, Volk en Führer. De motivatie en het wereldbeeld van Vlaamse collaborateurs tijdens de Tweede Wereldoorlog 1940-1945, Antwerpen, Manteau, 2012.

Hendrik vervolgt in zijn brief: "Ons land is het beste uit de oorlog gekomen van alle bezette landen omdat de Belgen zelf ons land bestuurden. Wij zijn het enige land dat geen amnestie verleend heeft omdat de repressie de uitschakeling was van het Vlaams nationalisme (sic)." Sinds het werk Onverwerkt verleden. Collaboratie en repressie in België, 1942-1952 (Kritak, 1991) van de Leuvense socioloog Luc Huyse en zijn team in 1991 verschenen is, weten we echter dat er van een anti-Vlaamse bestraffing van de collaboratie geen sprake was. Wel was er aanvankelijk een strafongelijkheid naar ruimte en tijd. 

Kinderen van het verzet

In één adem moet ook het verzet het in de brief het ontgelden. Het gebrek aan nuance voor de ene zijde van de geschiedenis blijkt even sterk door te wegen voor de andere zijde: "Er bestond een "Nationale liquidatieraad" in ons land. Die besliste wie moest vermoord worden. Er werden in de Limburgse gemeenten zeven VNV burgemeesters door hen vermoord. De andere burgemeesters die net hetzelfde deden werden met rust gelaten. Honderden werden vermoord. Op het einde van de oorlog mochten de weerstanders vermoorden wie ze wilden. Hun record was veertien per dag. […] Al vlug na de oorlog kregen de weerstanders amnestie voor de baldadigheden, moorden en verkrachtingen die ze gedaan hadden. […] niemand werd gestraft.”

Vasthouden aan de herinnering en het verhaal dat hij/zijn familie heeft geconstrueerd, met oogkleppen voor (of onwetend over) de academische bevindingen die nieuw licht werpen op die geschiedenis is een belangrijk probleem. Er lijkt me dan ook voor de specialisten ter zake een taak weggelegd om – zonder oordelen – (de nabestaanden) te wijzen op het gekleurde beeld dat ze hebben. Via welke kanalen dat het beste kan, is nog maar de vraag. Maar hoe kunnen academici foutieve interpretaties bijstellen? Of is dat hun taak niet en dienen historici enkel feiten aan te dragen waarmee meer creatieve geesten aan de slag kunnen? Liggen er geen mogelijkheden bij de verbeelding, rechtstreeks via getuigen of nabestaanden of via fictie of faction? Er is alleszins nood aan correcte en genuanceerde verhalen - in welke vorm dan ook - waarin de grenzen van de fictie en non-fictie vervagen, maar die een breed publiek weten te beroeren en die ons beeld en begrip van de complexe werkelijkheid beter helpen begrijpen.

Bibliografie

Koen Aerts, Dirk Luyten, Bart Willems e.a., Was opa een nazi? Speuren naar het oorlogsverleden, Tielt, Lannoo, 2017 (ook in Franse vertaling).

Bruno De Wever, Greep naar de macht. Vlaams-nationalisme en Nieuwe Orde. Het VNV 1933-1945, Tielt, Lannoo, 1994.

José Gotovitch & Chantal Kesteloot (reds.), Het gewicht van het oorlogsverleden, Gent, Academia Press, 2002 (ook in Franse vertaling).

Luc Huyse, Steven Dhondt e.a., Onverwerkt verleden. Collaboratie en repressie in België 1942-1952, Leuven, Kritak, 1991.

Jeroen Olyslaegers, Wil, Amsterdam/Antwerpen, De bezige Bij, 2016.

Aline Sax, Voor Vlaanderen, Volk en Führer. De motivatie en het wereldbeeld van Vlaamse collaborateurs tijdens de Tweede Wereldoorlog 1940-1945, Antwerpen, Manteau, 2012.

Frank Seberechts, Drang naar het Oosten. Vlaamse soldaten en kolonisten aan het oostfront, Kalmthout, Polis, 2019.

Bart Willems, 'De zoektocht naar het oorlogsverleden. Archieven over de bestraffing van collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog', In: Bladwijzer, 21, 2017, p. 13-21.

Nico Wouters, 'Lokaal geheugen: de sociale herinnering aan de Tweede Wereldoorlog in Vlaanderen’, In: Nico Wouters & Koen Aerts (eds.), Mondelinge geschiedenis in België en de (de-) constructie van collectieve herinnering. Themanummer Belgisch Tijdschrift voor Filologie en Geschiedenis, 92 (2), 2014, pp. 545-575.


*De namen zijn pseudoniemen.

Reageren?

U wordt geraakt door deze bijdrage of u wenst te reageren?

Uw opmerkingen, commentaren en ideeën zijn welkom via belgiumwwii@arch.be