Blog

Een nieuw perspectief op de stakingen van 1944/45

Auteur : De Graaf Jan (Institution : KULeuven)

jan-de-graaf.jpg

Jan de Graaf

Postdoctoraal Onderzoeker, KU Leuven (Fonds Wetenschappelijk Onderzoek)

Historici hebben maar weinig aandacht besteed aan de veelal wilde stakingsgolven die België gedurende de laatste maanden van en eerste maanden na de Tweede Wereldoorlog in hun greep hielden. Voor zover deze stakingen überhaupt aan bod komen in de historiografie is dat toch vooral ter illustratie van bredere politieke vraagstukken: de communistische dreiging, de vorming van een eenheidsvakbond, de koningskwestie enz. In mijn postdoctorale onderzoeksproject (KU Leuven, FWO) naar wilde stakingen als pan-Europees fenomeen tussen de bevrijding en de vroege jaren ‘50, een vergelijkende studie van vijf industrieregio’s in Oost en West waaronder de Waalse industriegordel, betoog ik dat ook ‘niet-politieke’ en spontane stakingen serieus genomen dienen te worden. Al tijdens mijn doctorale studies (University of Portsmouth) naar socialistische partijen en de wederopbouw van Europa kwam ik tot de conclusie dat dit soort wilde stakingen ons vaak meer vertellen over de invloed die de Tweede Wereldoorlog op Europa uitoefende dan stakingen georganiseerd door de vakbonden.

mineurs-en-grAves-35280.jpg
Institution : CegeSoma
Droits d'auteur : CegeSoma
Légende d'origine : Mineurs en grève, s.d.

‘Wilde’ stakingen in naoorlogs Wallonië

tract-msu.jpg
Institution : CegeSoma
Droits d'auteur : CegeSoma
Légende d'origine : Tract MSU, été 1944

Stakingen vormen dus de rode draad tussen bezet en bevrijd België. De stakingsbewegingen die de belangrijkste industriegebieden opschudden gedurende de laatste maanden van de bezetting liepen vaak naadloos over in nieuwe stakingsgolven, die zeker tot de zomer van 1945 aanhielden. Deze stakingen kenden goeddeels dezelfde aanleiding en hetzelfde verloop: het waren veelal wilde, kleinschalige en kortdurende werkonderbrekingen, veroorzaakt door de desastreuze voedselsituatie. Nu is het voor naoorlogs België wel lastig om daadwerkelijk van ‘wilde’ stakingen te spreken. In tegenstelling tot bijvoorbeeld Frankrijk en Italië, waar de (door communisten aangevoerde) eenheidsvakbonden zich onmiddellijk tegen stakingen keerden om de wederopbouw geen strobreed in de weg te leggen, was er in het sterk versnipperde vakbondslandschap in Wallonië altijd wel een vakbond die stakingen ondersteunde: in het Luikse was dat vaak de Mouvement Syndical Unifié (MSU) van André Renard en in de Borinage de aan de communisten gelieerde Comités de Lutte Syndicale (CLS). Zelfs na de totstandkoming van het ABVV in april 1945 zouden deze groepen zich nog vaak blijven roeren in, door de centrale vakbondsleiding niet-geautoriseerde, stakingen.

Gebrek aan vakbondscontrole

Dat betekent echter niet dat we deze stakingen bovenal vanuit het oogpunt van, al dan niet politiek-geïnspireerde, vakbondsstrubbelingen moeten aanschouwen. De naoorlogse stakingen leggen vooral het gebrek aan controle dat alle vakbondsleiders nog konden uitoefenen op de arbeidersklasse bloot. In de eerste plaats gold dat voor de vooroorlogse vakbondselites van socialistische en/of Christelijke signatuur. In het diskrediet geraakt door ofwel hun vlucht naar het Verenigd Koninkrijk ofwel hun aanvankelijke participatie in de collaborerende Unie van Hand- en Geestesarbeiders, waren deze vakbondsveteranen vaak niet langer ‘baas over hun leden’. Hun smeekbedes om, in het belang van de Geallieerde oorlogsinspanningen en de wederopbouw van België, toch vooral af te zien van stakingen maakten dan ook maar weinig indruk op arbeiders. Maar ook de nieuwe vakbondsmannen van MSU- en CLS-huize, die hun prestige voor een belangrijk deel ontleenden aan hun prominente rol in stakingen tijdens de oorlog, waren de situatie lang niet altijd meester. Ze waren uitstekend in staat om op spontane stakingsgolven mee te liften, en daaraan hun eigen eisen te verbinden (vaak de officiële erkenning van hun vakbonden), maar slaagden er vervolgens niet in om stakingen weer te stoppen als dat van hogerhand opgedragen werd. Bovendien eindigden hun pogingen om zelf stakingsbewegingen met meer concrete politieke doeleinden op poten te zetten veelal in een echec.

Wat vertellen de naoorlogse stakingen ons?

Als er geen duidelijk politiek motief te herkennen valt in de naoorlogse stakingsbewegingen, hoe moeten we ze dan wel duiden? Mijn onderzoek komt in dat opzicht tot twee conclusies. Ten eerste toont het aan dat de oorlog andere vormen van industrieel protest, sterker gericht op het bedrijfsniveau en op onmiddellijke voldoening, in de hand gewerkt had. Dat was niet alleen een gevolg van de Duitse repressie, die het moeilijker maakte (zeker na de ‘staking van 100.000’ in mei 1941) grootschalige stakingsbewegingen op te zetten, maar ook van het feit dat dit soort gelokaliseerde stakingen meestal succes kenden op de korte termijn en resulteerden in extra voedselleveringen. Het voortbestaan van deze protestvorm na de bevrijding was zowel vakbondsleiders als de autoriteiten, die stakende arbeiders vaak van infantilisme beschuldigden, een doorn in het oog. Ten tweede had de bezetting traditionele hiërarchieën ernstige schade toegebracht. Dat betrof niet enkel vakbondsleiders, die na jaren van afwezigheid nooit meer dezelfde controle over de arbeidersklasse konden uitoefenen als voor de oorlog, maar zelfs gezagdragers. Toen een officier van het Hoog Commissariaat voor ’s Lands Veiligheid stakende mijnwerkers er in mei 1945 aan herinnerde dat staken verboden was onder de door de regering Van Acker afgekondigde burgerlijke mobilisatie, werd hem toegebeten dat arbeiders na de Duitse bezetting ‘niet meer zo onder de indruk waren van Belgen’.  

 

Bibliografie

De Graaf J. (2019). Socialism across the Iron Curtain: Socialist Parties in East and West and the Reconstruction of Europe after 1945. (New Studies In European History). Cambridge University Press. 

De Graaf J. (2019). The Wildcat Strikes after World War Two: A Social History Interpretation (1945-1953). In: Bibert A., Schirmann S. (Eds.), Unity and Convergence of International Trade Union Action in the 20th Century(87-102). (Fare Cahiers, 15). Paris: L'Harmattan. 

De Graaf J. (2018). No Italian Stalingrads. The CGIL and the working class in the northern industrial heartlands, 1945-1955. JOURNAL OF MODERN ITALIAN STUDIES, 23 (5), 620-639, https://www.tandfonline.com/do...

Reageren?

U wordt geraakt door deze bijdrage of u wenst te reageren?

Uw opmerkingen, commentaren en ideeën zijn welkom via belgiumwwii@arch.be