Blog

Nieuwe boeken en visies op België tijdens de Tweede Wereldoorlog

Auteur : De Wever Bruno (Institution : UGent)

De beeldvorming over België tijdens de Tweede Wereldoorlog is de laatste decennia fundamenteel veranderd. Nieuwe publicaties, die op stapel staan of pas zijn verschenen, tonen dat aan. Ik illustreer de perspectiefverschuiving aan de hand van mijn kleine veertig jaar ervaring als onderzoeker en auteur.

bruno_de_wever_2011.jpg

Bruno De Wever

Hoogleraar Universiteit Gent

Zijn Oostfronters collaborateurs?

In het begin van de jaren 1980 publiceerde ik mijn eerste boek over de collaboratie in Vlaanderen. Het ging over de zogeheten oostfronters, dat was trouwens ook de titel, en het was gebaseerd op mijn licentiaatsverhandeling, wat we vandaag een masterscriptie zouden noemen. Voor die scriptie heb ik tientallen oostfronters geïnterviewd en een van hen was beroepshalve corrector geweest bij de ter ziele gegane uitgeverij Heideland-Orbis, de uitgeverij van het monumentale Twintig Eeuwen Vlaanderen. Hij bood zich aan om mijn boek taalkundig te corrigeren, maar gezien het onderwerp ging het onvermijdelijk ook over de inhoud. Hij maakte bezwaar tegen het feit dat ik de notie collaborateurs gebruikte om o.m. oostfronters te benoemen omdat dat toch wel een heel negatieve connotatie had. Ik herinner me goed dat ik daar een serieuze discussie over voerde. Het is een beetje zoals een discussie over het licht van de zon. Dat ik mij überhaupt in die vrij zinloze discussie liet meevoeren, zegt zeer veel over het toen heersende dominante discours in Vlaanderen over de collaboratie. En hoewel ik in deze kwestie uiteraard niet heb toegegeven, zie ik met de ogen van vandaag hoezeer mijn boek toch nog schatplichtig is aan de toen heersende opvattingen. Mijn analyse van Vlaamse oostfronters was nog voornamelijk een politiek verhaal van Vlaams-nationalistische streefdoelen. IJdele streefdoelen weliswaar, concludeerde ik. Maar dat neemt niet weg dat ik de analyse opsloot in dat kader.

bdw-oostfronters.jpg

Oostfronters en Lebensraum

drang-naar-oosten.jpg

Binnenkort verschijnt een nieuw boek over Vlaamse oostfronters van de hand van Frank Seberechts onder de titel Drang naar het Oosten. Vlaamse soldaten en kolonisten aan het Oostfront. Het perspectief is veranderd. Het gaat onder meer over de betrokkenheid van Vlamingen bij de vernietigingsoorlog die de strijd aan het oostfront in wezen was. Over de oorlog voor Lebensraum handelde Hitler al uitgebreid in Mein Kampf dat overigens onlangs opnieuw werd gepubliceerde in een becommentarieerde Nederlandstalige uitgave en dat nu al weken in de Vlaamse top tien van de non-fictie staat. Lebensraum impliceerde niet alleen de verovering van Oost-Europa en Rusland maar ook de eliminatie van een groot deel van de Slavische bevolking. Dat is een evident perspectief dat vandaag niet meer kan ontbreken in een boek over Vlaamse oostfronters en waarover ik het in mijn boek uit 1984 nauwelijks had.

Wereldoorlog II, een gezinsverhaal

Een tweede terugblik op veertig jaar historisch onderzoek snijdt een heel ander onderwerp aan en geeft me de gelegenheid het lopende Belspo-onderzoeksproject Transmemo onder de aandacht te brengen. Het betreft een onderzoek naar de familiale transmissie van de herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog in België. Het kreeg de beeldende titel mee: Het verdriet van België. Transmemo gaat na of en hoe kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen van collaborateurs en verzetslieden het verhaal van hun voorouder doorgeven, hoe zij meer in het algemeen kijken op de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog en of en hoe een en ander verbonden is met hun huidige politieke denkbeelden. Het is een multidisciplinair onderzoek met historici van Cegesoma en de UGent en psychologen van de UCL onder de leiding van Olivier Luminet die geïnteresseerd zijn in het functioneren van collectief geheugen. Het project richt zich op heel België. Gentse trekker van het project is Koen Aerts, die zopas met Kinderen van de repressie een eerste resultaat van het onderzoek publiceerde. Dit boek en ook de Canvas-reeks Kinderen van de collaboratie van einde 2017 waar Koen Aerts mee zijn schouders onder zette, geeft me de gelegenheid om op een andere manier terug te blikken op een kleine veertig jaar historisch onderzoek en met name op het feit dat historici zich er gaandeweg scherper van zijn bewust geworden dat ze ook moeten nadenken over de wijze waarop ze met hun onderzoek kunnen wegen op het historische bewustzijn van een maatschappij.

Naar een breder publiek?

Het volstaat niet om onberispelijk academisch onderzoek te verrichten, dat onderzoek moet ook op de een of andere wijze rechtsstreek of onrechtstreeks landen bij een publiek. Dat hoeft niet persé altijd het brede publiek te zijn, maar wel een publiek dat breder is dan de vorsers die door de maatschappij betaald worden om onderzoek te verrichten. Historici denken vandaag bewuster na over dat publiek en hoe ze dat publiek kunnen bereiken. Koen Aerts promoveerde in 2011 met een studie over de juridische reïntegratie van Collaborateurs in de Belgische staat na de Tweede Wereldoorlog, gepubliceerd in 2014 onder de titel Repressie Zonder Maat of Einde? Het is een gortdroge academische studie die door weinig mensen in een ruk zal worden uitgelezen. Hoe taai ook, het is een essentiële studie om te begrijpen hoe in België de zuiveringen na de Tweede Wereldoorlog zijn verlopen. Naast Onverwerkt verleden, de studie van Luc Huyse en Steven Dhondt is het een standaardwerk over de zogeheten ‘repressie’ omdat het de focus richt op de strafuitvoering en zo een klaar antwoord biedt op het door de rechtskundige en CVP-politicus Raymond Derinne gemunte begrip ‘Repressie zonder maat of einde’. Koen Aerts toonde aan dat maat en einde de leidraad waren van het beleid en zo kwam hij bij de vraag hoe het niettemin mogelijk was dat een ongenadige, onrechtvaardige en tomeloze repressie voortleefde in het Vlaamse collectieve geheugen.

Het belang van herinneringsmilieus

Het bracht hem bij het complexe begrip collectieve herinnering dat vanuit vele hoeken wordt bestudeerd maar waarbij historici vaak in een hoekje worden gedrumd door sociaal psychologen, cultuur- en communicatiewetenschappers. Hij begon zich meer me meer te ergeren aan het gebrek aan historisch inzicht van sommige collectief geheugenwetenschappers die er bijvoorbeeld vanuit gaan dat representatie gelijk staat met perceptie. Hij wees daarbij op het belang van ‘memorymakers’, op het belang van herinneringsmilieus, bijvoorbeeld de familie en andere peergroups. Dat ligt mee aan de basis van het genoemde project Transmemo over de familiale transmissie van de herinneringen. Het confronteerde hem met de vraag waarom sommige memorymakers er beter in slagen dan anderen om hun beeld van het verleden te doen doordringen in een ruimer maatschappelijk collectieve herinnering. Denk aan de Vlaamse perceptie van de collaboratie waarmee ik dit stuk begon. Maar het confronteerde hem ook met de vraag hoe je als academisch historicus zelf kunt optreden als memorymaker. Als je op de publieke herinnering wil wegen kan je niet volstaan met het afleveren van een academische studie. Daar is meer voor nodig. Een serie als kinderen van de collaboratie bijvoorbeeld. Maar ook en misschien nog meer het engagement om in contact te treden met herinneringsmilieus en daar ingangen te zoeken om in dialoog te treden. Ook dat is de uitdrukkelijke doelstelling van Transmemo. Ik zal er spoedig via BelgiumWWII over berichten.

Reageren?

U wordt geraakt door deze bijdrage of u wenst te reageren?

Uw opmerkingen, commentaren en ideeën zijn welkom via belgiumwwii@arch.be