Blog

Zijn historici bang van emoties ? Getuigen vs. historici

Auteur : Wouters Nico (Institution : CegeSoma)

photo_nico_wouters_5-6-2018.jpg

Nico Wouters

Hoofd van het CegeSoma/Rijksarchief

In de context van 50 jaar CegeSoma blogt Nico Wouters over het spanningsveld tussen herinnering en geschiedenis m.b.t. WOII. Vandaag deel 1 : de herinnering van de getuigen of de geschiedenis van de historici ?

Welke spanning ?

Op 7 december 1982 zond de VRT een debat uit tussen toonaangevende historici (onder meer Herman Balthazar, Els Witte, Emiel Lamberts en Karel Van Isacker) met TV-makers Maurice  De Wilde en Etienne Verhoeyen. Inzet van het debat : wat is de historische waarde van de persoonlijke getuigenis? Halverwege het debat, verklaart Etienne Verhoeyen het volgende : “Wat ik zal zeggen zal zeer pretentieus klinken, maar het is juist geloof ik : voor een aantal dingen weten wij het beter dan de betrokkenen zelf, nù. Dat geldt denk ik voor alle historici die met een periode bezig zijn”. Karel van Isacker van de Universiteit Antwerpen reageerde meteen : “ik ga niet akkoord met wat Etienne Verhoeyen zegt, over de zekerheid dat wij (…) het nu beter weten dan de mensen die het destijds beleefd hebben. Ik heb geleidelijk aan geleerd heel bescheiden te worden (…) Naargelang je begint te schrijven over zaken die anderen beleefd hebben, dan komt men u terecht zeggen : ‘in alle eerlijkheid, het is eigenlijk heel anders geweest’. Omdat het belangrijkste is : de sfeer. En die kan men alleen maar terugvinden bij de mensen die het beleefd hebben”.

De ‘mensen die het beleefd hebben’ kregen in België van bij het begin een centrale plek in herinnering en geschiedschrijving. Na 1945 waren getuigenissen jarenlang de belangrijkste geschriften over WOII. Hetzelfde fenomeen zag je trouwens in het buitenland, ook als gevolg van de Eerste Wereldoorlog. Maar de blijvende centrale plek van getuigenverhalen was misschien sterker bij ons dan in onze buurlanden. De geschiedschrijving kwam hier immers laat op gang en de schriftelijke bronnen bleven moeilijk toegankelijk. Zo plaatste het pas opgerichte studiecentrum over WOII (het latere CegeSoma) na 1969 een focus op interviews. De getuige kreeg ook een prominente plek in de befaamde TV-series van de VRT (o.m. De Nieuwe Orde) en de RTBF (Jours de Guerre). Na 2000 kregen de ‘laatste getuigen’ zelfs een bijna sacraal statuut. Niet enkel omdat hun aantal verminderde; ook omdat de herinnering zelf een wettelijke burgerplicht werd. Getuigen spraken prominent bij herdenkingen en plechtige gelegenheden, in TV-programma’s, in musea, bij herdenkingsplekken en scholen. De kernboodschap was de fakkel van herinnering aan jongeren doorgeven. Dat is wat één van de bekendste Belgische getuigen, de Auschwitz-overlevende Regine Beer (1920-2014), telkens bleef herhalen. Dat is precies wat op 1 oktober 2019 ook Bertje Ureel (1937) zei, bij de lancering van de TV-reeks ‘kinderen van het verzet’ in het CegeSoma.

Van waar dat enorme belang ? Getuigen combineren (minstens) drie zaken. Ten eerste, een morele legitimiteit (‘jij was er niet bij, ik wel’). Ten tweede, een rechtstreekse band met het verleden (en zo vermeende ‘echte’ kennis over de geschiedenis). Ten derde en vooral : een boodschap die het emotionele en niet het cognitieve register bespeelt (het gaat over persoonlijk verlies, lijden, trauma zelfs). Op alle vlakken kan een spanning bestaan met het werk van historici. Iemand die dat vroeger zeer scherp stelde, was Bruno De Wever. In een interview met Knack van 30 mei 2001 (‘Aan de oorlog is niets zwart-wit’) zei hij : “De getuigen hebben hun functie, maar zij kunnen zich niet in de plaats stellen van academici. Het lijkt erop dat wij nu doen wat Nederland vroeger deed : van WOII een moreel ijkpunt maken en de oorlog binnenhalen in discussies die daar eigenlijk weinig mee te maken hebben, met de getuigen die ons het verlossende woord over goed en kwaad zullen brengen”. 

rAgine-beer.jpg
Institution : CegeSoma
Droits d'auteur : CegeSoma
Légende d'origine : Régine Beer, s.d.

Een achterhaalde discussie ?

het-jaar-van-de-stilte.jpg
Légende d'origine : Herman Van Goethem, 1942. Het jaar van de stilte, Polis.

In veel opzichten is – denk ik - die ‘klassieke’ discussie in 2019 achterhaald. Mondelinge geschiedenis is al lang geaccepteerd. De microgeschiedenis zit academisch al lang in de lift (ca. 60% van alle Belgische publicaties m.b.t. WOII tussen 2009 en 2017 heeft trouwens een micro-invalshoek). De grenzen tussen verschillende genres en verschillende benaderingen zijn al lang geslecht, ook via publieksgeschiedenis. Honderden mensen voeren vandaag in België een onderzoek uit naar de eigen familiegeschiedenis. Academische historici tasten zelf de grenzen van genres af. Het meest sprekende voorbeeld is het in 2019 gepubliceerde ‘Jaar van de Stilte’ van Herman Van Goethem. In dat boek combineert de rector van de Universiteit Antwerpen vlot historische dagboeken, politiebronnen, mondelinge getuigen en zijn eigen familiegeschiedenis. Veel academische historici kruipen trouwens gemakkelijk in de rol van getuige. Enkele WOII-historici hebben een ‘oorlogsverleden’ via de collaboratie van vader of grootvader. Top-historici als Bruno De Wever en Pieter Lagrou bijvoorbeeld, kwamen zo  uitgebreid in de media (bvb. “Ik kan de gruwel nog altijd niet aan mijn vader linken”, interview met Pieter Lagrou in De Morgen, 10 december 2016; “Een nazi kan een lieve opa worden”, interview met Pieter Lagrou en Babette Weyns, 16 september 2017). 

De geschiedenis van emoties

Maar toch blijft iets van spanning hangen. Dat klonk bijvoorbeeld door in de presentatie van Florence Rasmont (CegeSoma) in de senaat op 3 oktober 2019.  Zij presenteerde in het kader van het project TRANSMEMO, over familieherinnering aan collaboratie en verzet. Rasmont leek als jonge onderzoekster die nieuw is op het terrein van WOII, toch even moeite te hebben om de sterk gecanoniseerde geschiedenis van WOII-historici te rijmen met de emotieve herinnering. “Bestaat die geschiedenis van historici wel?”, vroeg ze zich af. Ik meen een ander aspect van die spanning ook te ontdekken in het artikel van de meer doorwinterde Marnix Beyen in het themanummer van het BTNG (“Een stap terug, voor het te laat is”, 2019 nr. 2-3). Hij geeft een boeiende reflectie over zijn eigen wetenschappelijke parcours dat – in een sector van grote ego’s – verfrissend zelfkritisch is. Beyen pleit onder meer voor méér dialoog tussen academische historici en lokale onderzoekers, getuigen en nabestaanden : “Aan een dergelijke samenwerking is op dit ogenblik volgens mij een acutere nood dan aan discussies met internationale vakgenoten (….)”. Hij schrijft : “Daarvan ben ik recent meer dan ooit overtuigd geraakt nadat een druk bijgewoonde lezing die ik in mijn eigen dorp (Wijgmaal, bij Leuven) over het lokale verzet had gehouden, uitmondde in een intense uitwisseling van verhalen, ervaringen en emoties – en hopelijk het begin bleek te zijn van een meer structureel proces van historische kruisbestuiving”. Rasmont als Beyen voelen denk ik een soort ‘pudeur’ : een achting voor de emotieve kracht van de getuige en nabestaande. Misschien past ook het voorbeeld van Koen Aerts hierin. Zijn doctoraat was een dik en technisch werk : een echte ‘historian’s history’. Maar enkele jaren later, na nieuw onderzoek, zegt hij in een interview in 2017 het volgende : “Door het contact met kinderen van de collaboratie, heb ik meer aandacht gekregen voor de mens achter de collaborateur. Ik hoop dat de oorlogshistoriografie verder die weg opgaat (…). Als je zegt dat collaborateurs door het nazigedachtegoed gemotiveerd waren, zeg je nog niet voldoende, zeg je niet waarom, zeg je niet hoe dat komt en geef je eerder een beschrijving in plaats van een verklaring” (‘Achter elke collaborateur schuilt een mens’, interview Doorbraak, 18 november 2017). Zonder Rasmont, Beyen of Aerts gelijk te willen schakelen met Van Isacker (bien étonné de se trouver ensemble, wellicht), denk ik toch dat Van Isacker trachtte in 1982 ook dat punt duidelijk te maken. Later in het debat wil hij immers preciseren : “Door die beelden worden de gebeurtenissen veel meer emotioneel geladen (…) dan zij zelfs in werkelijkheid waren. […] De werkelijkheid wordt inderdaad emotioneel soms overdreven geladen. Maar tegelijkertijd (…) wordt de geschiedenis er menselijker door.”

Bepaalde kennistheoretische en methodologische discussies (waarop ik hier niet inga) hebben we misschien deels wel gehad. Waar er volgens mij een blijvende spanning zit – wat betreft het onderzoek naar de geschiedenis van WOII in België – is de studie van emoties. Beyen pleit in zijn bovenvermeld stuk voor  “historiserend herdenken’ (of herdenkend historiseren)”. Ik zie daarin vooral een werf van de ‘emotiegeschiedenis’. Ondanks de centrale plek van de getuige, ondanks de emotieve lading van WOII, en ondanks de diepe tradities van mentaliteitsgeschiedenis en interdisciplinaire samenwerking met antropologen, psychologen e.a., blijft de geschiedenis van emoties veel te weinig gebruikt in de geschiedschrijving van WOII in België.  Die blijft vaak toch conservatief. Zijn WOII-historici wat bang van emoties? Ik bedoel daarmee niet enkel de geschiedenis van de emotionele beleving van de gebeurtenissen, maar ook de impact ervan op herinneringen tot zelfs het gebruik van emoties door historici om een indringend geschiedenisverhaal te vertellen. Als de getuigen straks helemaal verdwenen zijn, ligt daar voor de historici van WOII nog een grote werf.

 

Reageren?

U wordt geraakt door deze bijdrage of u wenst te reageren?

Uw opmerkingen, commentaren en ideeën zijn welkom via belgiumwwii@arch.be