Blog

Archief als wapen tegen straffeloosheid?

Verfasser : Elaut Geertje (Institution : AGR)

De Tweede Wereldoorlog is zonder twijfel de katalysator  geweest om de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) te doen aannemen. Het Naziregime en zijn fascistische bondgenoten hadden laten zien dat ook “beschaafde” naties in staat zijn tot gruwelijke misdaden, zelfs tegen hun eigen bevolking, en dat daarom waarborgen moesten worden vastgelegd ter bescherming van burgers, ook tegenover hun eigen regering. De UVRM werd door de Verenigde Naties aangenomen in december 1948 en blaast in 2018 dus zeventig kaarsjes uit. Wat is de rol en  het belang van archieven in het kader van de UVRM? Daar zoek ik in deze blog een antwoord op.

g-elaut.jpg

Geertje Elaut

Wetenschappelijk medewerker van het Rijksarchief

Wat ?

Laten we eerst nog eens kijken wat de UVRM precies is. De verklaring van 1948 somt in 30 korte artikels een reeks individuele rechten op, zoals het recht op vrije meningsuiting, op een billijk rechtssysteem, het recht op eigendom, op onderwijs, op een nationaliteit, op sociale zekerheid. De UVRM veroordeelt elke vorm van discriminatie. De verklaring vermijdt echter elke verwijzing naar collectieve minderheidsrechten, zoals die na 1918 werden geformuleerd. Individuen wiens rechten geschonden worden, moeten zich kunnen beroepen op hun eigen nationale rechtbanken. Kunnen ze daar geen verhaal halen en worden ze vervolgd, dan schept dit voor andere landen niet de plicht om in te grijpen, maar enkel de plicht hen politiek asiel te verlenen.

De UVRM is een verklaring, die intussen de status van internationaal gewoonterecht heeft gekregen. Om het geheel van principes die worden gedefinieerd in de verklaring juridisch afdwingbaar te maken, moesten ze worden neergeschreven in verdragen. Het ging om twee afzonderlijke verdragen, die elk een verschillende categorie rechten behandelden: het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR) en het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten (IVESCR). De Algemene Vergadering van de VN nam beide verdragen pas in 1966 aan, bijna 20 jaar na ondertekening van de UVRM, en nà de grote dekolonisatiegolven in Zuid- en Zuidoost-Azië, het Midden-Oosten en Afrika.

356px-the_universal_declaration_of_human_rights_10_december_1948.jpg

Het probleem van de juridische afdwingbaarheid

The Dictator Hunger
Urheberrecht : © Pieter van Huystee Film
Legende des Ursprungs : Beeld uit de documentaire The Dictator Hunter
Legende des Ursprungs : Reed Brody is een mensenrechtenadvocaat die zich inzet voor de vervolging van de voormalige Tsjaadse president Hissène Habré, verdacht van moord op 40 000 opposanten. Brody maakt tijdens zijn strijd voor berechting van Habré regelmatig reizen naar Tsjaad. Op één van die reizen ontdekt hij bij toeval de achtergelaten archieven van de DDS, de geheime politie ten tijde van de dictatuur van Habré: tienduizenden documenten met details over aanvallen op rivaliserende etnische groeperingen en de georganiseerde repressie van politieke tegenstanders. De documenten beschrijven daarnaast Amerikaanse trainingssessies voor DDS-agenten (onder meer een sessie nabij Washington waarbij enkele van de meest gevreesde DDS-beulen aanwezig zijn).

De principes zijn essentieel, maar uiteindelijk gaat het ook om juridische afdwingbaarheid in de praktijk. Diegenen die zich schuldig maken aan grootschalige schendingen van mensenrechten zijn over het algemeen gezagsdragers, die zich (meestal) bewust zijn van het verboden karakter van hun daden en beseffen dat ze er mogelijk ooit verantwoording over zullen moeten afleggen. Archieven van vandaag, vormen het juridisch bewijsmateriaal van morgen. Daarom vermijden daders doorgaans zoveel mogelijk geschreven communicatie en besteden ze veel zorg aan het voorkomen en wissen van sporen die in hun richting kunnen wijzen. Overlevenden, familieleden van slachtoffers of belangengroepen hebben doorgaans de tegenovergestelde reactie: zij gaan op zoek naar sporen van het onrecht.

Laten we even terugkoppelen naar de verantwoordelijken voor de Holocaust. De nazi’s hielden nauwkeurig de administratie van concentratie- en werkkampen bij, bewaarden transportlijsten en lijsten van overledenen. Zelfs van het aantal maaltijden waar een dwangarbeider recht op had zijn sporen terug te vinden in de nazi-archieven die in het Duitse Bad Arolsen worden bewaard. Sporen van wie verantwoordelijk was voor welke misdaden – zoals documenten over de centrale besluitvorming van de nazi’s en Führerbefehlen – werden echter doelbewust vermeden.

Om verantwoordelijkheden te kunnen ontleden moet gezocht worden naar subtiele aanwijzingen in administratieve rondzendbrieven, briefwisseling, verslagen van vergaderingen of ontmoetingen, rekeningen, agenda’s, wetteksten, foto’s, enz.  Precies omdat deze misdaden vaak diep verborgen of begraven zijn in de archieven, is een gedegen archiefbeleid noodzakelijk. Aan de hand van archieven kunnen daders ter verantwoording geroepen worden, tenminste als de archieven hun rol als bewijsmateriaal kunnen spelen vóór de juridische verjaringstermijnen voor vervolging verstreken zijn…

The right to know

Burgers hebben het recht om te weten wat hun overheden doen. In een democratie is het essentieel dat mensen toegang hebben tot overheidsinformatie. Internationale normen en jurisprudentie bevestigen dat recht. Het Verdrag van de Raad van Europa inzake de toegang tot officiële documenten (2009) heeft het recht om te weten als volgt vastgelegd: "alle officiële documenten zijn in principe openbaar en kunnen alleen worden achtergehouden als bescherming van andere rechten en legitieme belangen". In lijn hiermee is de toegang tot informatie door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens erkend als een fundamenteel mensenrecht. Toegang tot informatie is een fundamenteel mensenrecht met twee componenten. Ten eerste hebben overheidsinstanties de proactieve plicht om informatie over hun belangrijkste activiteiten te verstrekken, te publiceren en te verspreiden. Ten tweede is er het reactieve recht van burgers om overheidsfunctionarissen om informatie te vragen over wat zij doen en over alle documenten die zij in bezit hebben en het recht om een antwoord te ontvangen. En dat recht om te weten blijft niet beperkt tot de individuele relatie burger-overheid, maar kan ook in collectieve zin geclaimd worden:

The right to know is not simply the right of any individual victim or closely related persons to know what happened, a right to the truth. The right to know is also a collective right, drawing upon history to prevent violations from recurring in the future. Its corollary is a “duty to remember”, which the State must assume, in order to guard against the perversions of history that go under the names of revisionism or negationism; the knowledge of the oppression it has lived through is part of a people’s national heritage as such must be preserved.” (The Administration of Justice and the Human Rights of Detainees: Question of the Impunity of Perpetrators of Human Rights Violations (Civil and Political). Revised final report prepared by Mr. Joinet pursuant to Sub-Commission decision 1996/119, United Nations Commission on Human Rights, Sub-Commission on Prevention of Discrimination and Protection of Minorities, E/CN.4/Sub.2/1997/20/Rev.I October 2, 1997).

Archieven en de rechten van slachtoffers

Het internationale mensenrechtendebat zelf creëert intussen ook veel archieven. Door rechten toe te kennen, wordt activisme gestimuleerd, wat nieuwe organisaties en organen tot stand brengt, die op hun beurt sporen nalaten in de vorm van archiefbronnen. In het kader van de mensenrechtenbeweging gaat het voornamelijk om niet-officiële instanties – denk bv. aan NGO’s –, die niet onderhevig zijn aan archiefwetgeving.

De International Conference of the Round Table on Archives (CITRA) die in 2003 in Kaapstad (Zuid-Afrika) doorging, plaatste het thema ‘Archief en mensenrechten’ voor het eerst hoog op de agenda.  De conferentie werd geopend door Nobelprijswinnaar Desmond Tutu, voormalig voorzitter van de Zuid-Afrikaanse Waarheids- en Verzoeningscommissie, met de woorden: “We are ashamed of that part of our history, but it is our history nonetheless. And it stands there recorded in our National Archives… The records are crucial to hold us accountable… They are a potent bulwark against human rights violations. We must remember our past so that we do not repeat it.” De werkgroep Archives and Human Rights die in het zog van deze conferentie werd opgericht, houdt zich 15 jaar later nog steeds actief bezig met de opvolging en coördinatie van projecten die voortkwamen – en komen – uit de conferentieresoluties. De maandelijkse nieuwsbrieven van deze werkgroep onderstrepen steeds opnieuw de rol van archivarissen bij het identificeren van mensenrechtenschendingen en de zoektocht naar de verantwoordelijken.

Archief als wapen tegen straffeloosheid?

Wie zich op gefundeerde wijze met de mensenrechtenproblematiek bezighoudt, komt dus vroeg of laat met archieven in aanraking. Een gebrek aan bewijsmateriaal leidt al te vaak tot straffeloosheid.  Toch blijven vele slachtoffers of belangengroepen ook vandaag nog – 70 jaar na de goedkeuring van de UVRM – worstelen met de povere resultaten van wat met bewijzen van onrecht wordt gedaan. Vaak botsen ze op verjaringstermijnen die verstreken zijn. Schendingen van de mensenrechten zijn moeilijker te vervolgen dan oorlogsmisdaden, misdaden tegen de mensheid en genocide, die aan andere regels onderworpen zijn qua jurisdictie en verjaringstermijnen.

Archief als wapen tegen straffeloosheid? Dankzij archieven kunnen machthebbers ter verantwoording worden geroepen voor fouten uit het verleden, op voorwaarde dat overheden de rol van archieven als essentiële schakel voor de goede werking van een democratie erkennen én archieven de structurele omkadering toekennen die ze nodig hebben om the right to know te kunnen garanderen. Laat 70 jaar UVRM een wake-up call zijn.

Reageren?

U wordt geraakt door deze bijdrage of u wenst te reageren?

Uw opmerkingen, commentaren en ideeën zijn welkom via belgiumwwii@arch.be