België in oorlog / Persoonlijkheden

Camille Gutt

Auteur : Colignon Alain (Instelling : CegeSoma)

Camille Gutt was de zoon van Max Guttenstein, een joods Oostenrijks-Hongaars onderdaan die in 1877 naar België was gekomen (het achtervoegsel « -enstein » verdween in 1922 uit de naam omdat het te Germaans klonk) . Zijn loopbaan vormde een goed voorbeeld van een succesverhaal gepaard aan de “Belgische droom” in de “eerste XXe eeuw”. 

Een scherpe en pragmatische intelligentie en een originele geest

Camille Gutt deed rechtenstudies aan de Université Libre de Bruxelles en huwde in 1906 met de dochter van de liberale burgemeester van Sint-Joost-ten-Noode, Charles Frick. Deze introduceerde zijn schoonzoon in het perswereldje, eerst bij La Chronique (waarvan hij eigenaar was) en daarna bij La Gazette en L’Eventail om hem daarna binnen te loodsen bij het Beknopt verslag van de Kamer. Een weg in liberaal getinte para-politieke richting scheen dus voor hem open te liggen.

Gutt werd in 1914 vrijwilliger bij de Jagers-Wielrijders en kwam dan kort terecht bij een eenheid Franse Spahis nadat zijn regiment door de vijand uiteengeslagen was. Eens gedemobiliseerd, werkte hij voor de Commissie voor Bevoorrading te Londen o.l.v. de bijzonder dynamische Georges Theunis. Deze nam het initiatief Gutt in te schakelen als lid van de Belgische delegatie bij de Commissie voor Herstelbetalingen. Toen hij Eerste minister werd (1921-1925), duidde Theunis die zijn mentor en vriend geworden was, hem ook aan als kabinetschef. Die functie zorgde ervoor dat Gutt meer dan eens de rol van gewaardeerd tussenpersoon speelde tussen zijn baas en Emile Francqui, directeur bij de Société générale. Na de val van het kabinet Theunis werd hij op initiatief van Francqui adjunct bij de Schatkist , belast met de onderhandelingen met de Amerikanen over een lening voor monetaire stabilisering. Hij werd hoog kaderlid bij de Société Générale (verantwoordelijk door de non ferro-sector ) en stond na enkele jaren al in hoog aanzien als expert m.b.t. internationale akkoorden voor koper en zink. En dan volgde de bekroning: in november 1934 werd hij minister van Financiën in de zgn. “Bankiersregering” met de steun van zijn vrienden en beschermheren Theunis en Francqui. De medaille had echter een keerzijde: Gutt die nooit het conflict zocht en waarmee goed te spreken was, kwam natuurlijk onder vuur te liggen van de radikale linkerzijde. Op de koop toe kreeg hij af te rekenen met de onderhuidse tegenwerking van de katholieke rechterzijde (Gutt was gekozen als “technicus” maar werd als liberaliserend aanzien) en meer in het bijzonder van Paul Van Zeeland, coming man van de christelijke familie en briljant economist … die zichzelf de geknipte man vond voor Gutt’s ministerpost. 

pp-23-11-1934-couv.jpg
Oorspronkelijke legende : Pourquoi pas?, 23 November 1944

Met de regering in ballingschap

163808-min-belges-A-londres.jpg
Instelling : Cegesoma
Collectie : RTBF
Oorspronkelijke legende : De Belgische regering in Londen, van links naar rechts: Spaak, Pierlot, xx en Gutt, s.d.
32028-gutt.jpg
Instelling : Cegesoma
Collectie : (Lejeune 148) [Inbel - London]
Oorspronkelijke legende : Belgian Independance military parade at Chelsea Barracks. The inspecting was carried out by M. Camille Gutt, The Belgian minister of defence, s.d. (1942)
1273-gouv-belge-londres-dec-1942.jpg
Instelling : CegeSoma
Oorspronkelijke legende : De Belgische regering, Londen, december 1942
32006-gutt.jpg
Instelling : Cegesoma
Oorspronkelijke legende : Film premier of "The flemish farm" at the Leicester sq. theatre. Mr. C. Gutt, Belgian Finance Minister.

Na vier jaar op een politiek zijspoor kreeg Gutt in februari 1939 opnieuw de portefeuille van financiën in de regering Pierlot I; hij was er weer bij als minister-technicus zonder politieke kleur (maar zoals reeds gezegd, aanzien als liberaal of liberaliserend). Hij zou het de hele oorlog door blijven, en zijn naam verbinden aan enkele voor de toekomst van het land uiterst belangrijke beslissingen. Eigenaardig genoeg zou er een erg goede verstandhouding groeien tussen Gutt, een bekend figuur in transnationale economisch-financiële kringen en aanhanger van het vrij onderzoek, en de katholieke en conservatieve premier Hubert Pierlot. Ondanks hun uiteenlopende politieke keuzes werden het echte vrienden. Die vriendschap zou de oorlog overleven, wellicht omdat ze geworteld was in een gemeenschappelijke ondervinding en omdat ze beiden voor dezelfde problemen hadden gestaan: zelfde generatie, zelfde vorming als jurist, zelfde verleden als oudstrijder en eenzelfde afkeer van de keuzes van Leopold III in 1940.

Aanvankelijk kreeg zijn harde financiële politiek tijdens de neutraliteitsperiode heel wat tegenwind. Hij voorzag het ergste en zorgde er de eerste weken van zijn mandaat al voor dat een deel van de Belgische goudreserves in de USA werd ondergebracht. Na de inval in mei 1940 werkte hij aan monetaire en financiële maatregelen. Hij was dus niet aanwezig bij de steeds meer gespannen vergaderingen tussen de belangrijkste ministers en de vorst en ook niet bij de uiteindelijke breuk in Wijnendale (25 mei). Gutt wilde de strijd aan de zijde van de geallieerden voortzetten en was dus na het Franse verzoek voor een wapenstilstand met Duitsland op 17 juni even wanhopig als de « pierlotisten ». Na een paar dagen wilde ook hij er de brui aan geven. Maar zoals de jonge Marcel-Henri Jaspar en Albert De Vleeschauwer koos hij vlugger dan andere ministers toch voor een ander koers. Bovendien besefte hij dat zijn joodse afkomst hem niet bepaald geliefd zou maken bij de “Nieuwe Orde”-figuren die nu in België de baas speelden.

Op 30 juli kreeg hij de toelating van de ministerraad om in Londen de hangende financiële problemen met het Verenigd Koninkrijk te gaan regelen. Hij kwam er op 8 augustus samen aan met de minister van Koloniën, de katholiek Albert De Vleeschauwer. Gedurende enkele weken vormden beiden in de ogen van het Foreign Office de ”Belgische regering”. Maar het was pas toen Pierlot en Spaak ook in Groot-Brittannië arriveerden (22 oktober 1940) dat er opnieuw echt een soort mini-regering tot stand kwam. Vermits een aantal ministers voorzichtigheidhalve in niet-bezet Frankrijk waren gebleven, kreeg elke “Londense” minister verschillende portefeuilles. Gutt bv. was vanaf 31 oktober 1940 tegelijkertijd minister van Financiën, van Landsverdediging, van Economische zaken en van Verkeerswezen… Het waren zware verantwoordelijkheden die Gutt uitputten. Bovendien kreeg hij te maken met spanningen bij de militairen tussen leopoldistische officieren en anti-leopoldistische manschappen. Camille Gutt kon het niet meer aan en liet in oktober 1942 het departement van Landsverdediging over aan Hubert Pierlot die de zaken kon rechttrekken.

Wat bezet België betrof, nam hij sedert de zomer 1942 meer en meer afstand van de « modus operandi » van het « Comité Galopin » en zijn zgn. politiek van het minste kwaad die sommigen echter als een accommodatie met de bezetter aanzagen. Dat leidde na de bevrijding tot een breuk met zijn oud-collega’s en vrienden van de « Société Générale » die trouw waren gebleven aan de keuze van Galopin…

T.a.v. de Angelsaksers speelde hij een eersterangsrol in alle onderhandelingen over de modaliteiten van de Belgische deelname aan de geallieerde oorlogsinspanning maar ook over de uitwerking van een internationaal monetair akkoord voor de naoorlog. Bovendien kon men niet om hem heen bij het sluiten van de financiële en monetaire Brits-Belgische akkoorden over Kongo (21 januari 1941). Dat was trouwens niet echt naar de zin van minister van Koloniën Albert De Vleeschauwer. Gutt stond ook centraal bij de afspraken over de lening van het Belgisch goud (4 maart 1941) en speelde eveneens een rol bij de onderhandelingen over de verkoop van Kongolees uranium aan de Amerikanen. Dat werd pas in september 1944 definitief beklonken ; tegenover de verkoop kwam een belofte te staan van een kennisuitwisseling qua eventuele burgerlijke toepassingen van het atoomonderzoek.

En tenslotte nam hij dankzij zijn goede contacten met Britse top-economisten (John Maynard Keyes, Harry Dexter White,…) ook deel aan de conferentie van Bretton Woods (juli 1944) die een nieuwe monetaire wereldorde moest voorbereiden. Die deelname zou later een rol spelen bij zijn verkiezing als hoofd van het Internationaal Monetair Fonds waarvan hij van 1946 tot 1951 directeur-generaal zou worden… Maar in juli 1944 kwam het natuurlijk eerst aan op het einde van de vijandelijkheden en de financiële gezondmaking van bevrijd België. 

De « Operatie Gutt», een waar succesverhaal

Gutt (waarvan twee zonen gesneuveld waren, Jean-Marc in 1941 en François in 1944) arriveerde samen met de andere Londense ministers opnieuw te Brussel op 8 september 1944. Hij behield zijn ministerpost in de door Pierlot geleide regering van Nationale Unie (vanaf 26 september 1944). Het was op dat ogenblik dat hij een enorme muntsanering lanceerde die absoluut noodzakelijk was om de economie van het land te kunnen herstarten. De operatie baseerde zich op onderzoek van prof. Léon Dupriez (april 1941) dat afgerond werd in 1943. Ze werd op 1 mei 1944 te Londen discreet opgestart met een voorafgaandelijke devaluatie van de Belgische frank ten opzichte van het pond sterling (waarde augustus 1939) met 30,29% . Op 7 oktober 1944 werd ze definitief gelanceerd via een aantal besluitwetten. Er waren vier fasen voorzien met de bedoeling de muntcirculatie drastisch te verminderen van 165 naar 57 miljard frank (vgl. in mei 1940: 50,5 miljard) en zo komaf te maken met de inflatie die het gevolg was van de bezetting.

De bankbiljetten van 100 frank of meer verloren hun wettelijke waarde en moesten aangegeven worden. Per huishouden kon maximum 2000 frank omgewisseld worden in nieuwe biljetten (de “Gutt-franken”) die al in Groot-Brittannië gedrukt waren. Alles boven de 2000 frank werd geblokkeerd op speciale rekeningen op naam van de eigenaar. Zowel het kapitaal van privé-personen als dat van bedrijven werd op dezelfde manier aangepakt: een klein deel van het geld op de rekeningen kwam ter beschikking in nieuwe bankbiljetten , maar de rest bleef geblokkeerd. Tegelijkertijd dienden alle Belgische en buitenlandse effecten aangegeven te worden, een maatregel die een volledig beeld moest geven van de in omloop zijnde roerende goederen.

Nadien werd een versoepeling voorzien maar met een verdere deflatie. 40% van de gelden op de bankrekeningen zou dan geleidelijk kunnen vrijgemaakt worden in functie van de economische conjunctuur .

De maatregelen moesten vooral de talrijke kleine oorlogsprofiteurs treffen maar in een tweede fase ook de industriëlen die gewerkt hadden voor of leveringen hadden gedaan aan de bezetter (er werd voorzien hun winsten aan 100% te belasten…).

De psychologische schok van de “Operatie Gutt” was enorm omdat het geheim vrij goed bewaard was gebleven. De minister van Financiën zou snel de - door de oorlogstoestand amper getemperde - vijandschap ondervinden van dat deel van de middenklasse uit handels- en landbouwkringen dat weinig onder de oorlog geleden had en profiteerde van de “zwarte markt” en zelfs van handeltjes met de vijand…

Gutt had graag nog in een hogere versnelling geschakeld met het invoeren van een belasting op de bezittingen voor de periode mei 1940 – september 1944 gebaseerd op het kadaster van gronden en de inventaris van roerende goederen. Maar dat was er wellicht over. Zijn plan wekte zo’n verzet op dat het uiteindelijk bijdroeg tot de val van de regering Pierlot in februari 1945. Het was wel een troost dat de internationale experten zijn operatie van monetaire en financiële gezondmaking als een model in het genre bleven beschouwen. 

la-nation-belge-8-10-1944.png
Instelling : KBR
Oorspronkelijke legende : La Nation belge, 8 oktober 1944
file-locaux-bnb-bnb.jpg
Instelling : NBB
Auteursrecht : Voorbehouden rechten
Oorspronkelijke legende : File voor de Nationale Bank van België, oktober 1944

Een tweede leven in kringen van de “haute finance”

Met de titel van Minister van Staat hem toegekend door de Regent keerde Camille Gutt terug naar het burgerleven. Hij bleef werkzaam in de grote financiële wereld : in het Internationaal Monetair Fonds dat hij leidde van 1946 tot 1951, in de raad van Regenten van de Bank Lambert of in de raden van bestuur van Belgische en buitenlandse ondernemingen . Overigens bleef hij steeds trouw aan zijn “Londense” vriendschappen en aan zijn opvatting van de Belgische democratie.

Bibliografie

Archieven Camille Gutt, https://www.cegesoma.be/docs/I...

Crombois Jean-François, Camille Gutt, les finances et la guerre, Bruxelles, 2000.

Crombois Jean-François, Camille Gutt, Nouvelle biographie nationale - Bruxelles : Académie royale des Sciences, des Lettres et des Beaux-Arts de Belgique, 1988-2018, Tome 6, pp. 228-232, https://www.academieroyale.be/...

Deshormes Etienne, "Camille Gutt, premier directeur-général du Fonds Monétaire International 1946-1951", dans Revue de la Banque, juillet 1986, pp. 15-79 .

Kurgan Ginette, Gouverner la Générale. Essai de biographie collective, Bruxelles, 1996.

Van Praag, Hélène, "L’assainissement monétaire de la Belgique au lendemain de la Deuxième Guerre mondiale", dans Revue de la Banque, mars 1996, pp.61-126.

Zie ook

220653 Artikels Naoorlog (De) voorbereiden (Regering van Londen) Bernardo y Garcia Luis Angel
karel_van_belgiA_charles_de_belgique_karl_von_belgien.jpg Artikels Regentschap (Het), een vergeten interregnum ? Colignon Alain
75012 Artikels Bevrijding Colignon Alain