Blog

Enfants de la collaboration (RTBf) versus Kinderen van de collaboratie (VRT): dezelfde programma’s, dezelfde reacties?

Thema - Collaboratie

Auteur : Aerts Koen (Instelling : Docent geschiedenis en onderzoeker (UGent en Studie- en Documentatiecentrum Oorlog en Hedendaagse Maatschappij - OD4 Rijksarchief) )

koen-aerts.jpg

Koen Aerts

UGent/CegeSoma (Rijksarchief)

De erfenis van Maurice De Wilde

“Het geheugen was lange tijd wispelturig wanneer je in Franstalig België over collaboratie sprak.” Aan het woord is Philippe Van Meerbeeck in het recente Nederlandstalige debuutnummer van het onvolprezen Wilfried (herfst 2020). Met het interessante Dossier - Collaboratie in Wallonië stelt het zelfverklaarde “eerste Belgische tijdschrift” zich tot doel het “Grote Zwijgen” te doorbreken, zijnde het “vergeten verhaal van de Walen die heulden met de boches”. Als voormalig medewerker van de  BRT Productiekern Wereldoorlog II weet Philippe Van Meerbeeck waarover hij spreekt. De verschillende oorlogsreeksen die de Nederlandstalige openbare omroep met die ploeg op de buis bracht, groeiden uit tot een even iconisch als gestold historisch geweten voor voornamelijk Vlaanderens omgang met de jaren veertig. Veel heeft te maken met de onnavolgbare verbetenheid en interviewstijl van de legendarische BRT-journalist Maurice De Wilde die er vanaf begin jaren tachtig als presentator en schermgezicht de verpersoonlijking van wordt. Voor zijn opzoekingswerk kon hij rekenen op de assistentie van een schare medewerkers die in zijn schaduw als historici, (beeld)researchers en tv-makers letterlijk en figuurlijk geschiedenis hebben geschreven.

Het ging er daarbij soms hard aan toe, voor en achter het scherm. Zowel met zijn getuigen, zijn medewerkers als met de pluralistisch samengestelde wetenschappelijke commissie van universiteitsprofessoren kon Maurice De Wilde stevig in de clinch gaan. Pitbull, Hertog van Alva, Inquisiteur … het zijn slechts enkele bijnamen die zijn sterke karakter als journalistieke dwarsligger kleuren. De impact van deze reeksen – recent integraal en gratis terug te bekijken op vrtnu.be – is niettemin bijzonder groot. In Vlaanderen maakten ze het oorlogsverleden bespreekbaar, hoe confronterend ook. Daags na elke uitzending stonden de kranten vol met commentaren, lezersbrieven en reacties. Boeken verschenen als verweerschrift en zelfs het koningshuis zal afkeurend van zich laten horen. Velen kropen na de afleveringen uit hun loopgraven om hun versie van de gepresenteerde feiten met aangescherpte argumenten op het publieke en politieke forum te verdedigen. Er ontstond een polemische dynamiek, een stotterende maar effectieve maatschappelijke dialoog over een stekelig verleden dat voordien vooral nog binnen de eigen kringen werd beleden. De rol van Maurice De Wilde is daarbij onmiskenbaar en fundamenteel. Zonder gêne, zonder filter, desnoods met de voeten vooruit, was hij steeds de spreekbuis van de underdog. Hij was kritisch en zo nodig onverbiddelijk voor eender wie, ongeacht zijn gesprekspartner een geestelijke was, een zakenman, een smokkelaar, een collaborateur of – net zo goed, maar vaak vergeten – een lid van het verzet. Hij had een neus voor stinkende potjes en trok ze ook graag open. Franstalig België leerde hem kennen toen hij in 1982 Léon Degrelle het vuur aan de schenen legde. Veiligheidshalve ging de openbare zender voor de uitzending nog te rade bij haar juridische dienst om er zeker van te zijn dat ze niet vervolgd zou kunnen worden voor de verspreiding van rexistische propaganda. Omdat de RTB eerder had geweigerd om het interview dat Jacques Cogniaux en Pierre Desaive in 1977 van hem afnamen uit te zenden, werd het een Belgische primeur. Onvervaard zette Maurice De Wilde le beau Léon in zijn hemd door zijn grootsprakerige leugens te toetsen met enkele harde tegenbewijzen uit authentieke archiefdocumenten. Dat hij als journalist de Führer van Bouillon voor de camera had gekregen, zette bij vele Walen niettemin ook kwaad bloed.

de-wilde.jpg
Instelling : VRT
Auteursrecht : P. De Jonge, voorbehouden rechten
Oorspronkelijke legende : Maurice De Wilde in de jaren 1980 in zijn kantoor met zijn medewerkers. V.l.n.r. Etienne Verhoeyen, Raymonde Panis, Philippe Van Meerbeeck
de-wilde-degrelle.jpg
Instelling : CegeSoma
Auteursrecht : Voorbehouden rechten
Oorspronkelijke legende : Léon Degrelle en Maurice De Wilde, 1981

Spreken is zilver, zwijgen is goud

papy(2).jpg
transmemo-nl.jpg

De vraag is of de Franstalige publieke opinie bijna veertig jaar later net zo zal reageren op het interview met zijn kleinzoon dat La Une (RTBf) uitzendt op 25 november 2020. In de documentaire Les enfants de la collaboration zal hij met een aantal andere Franstalige nabestaanden van de collaboratie getuigen over de jaren veertig en de gevolgen voor hun leven en familie. Zou er politieke en publieke ophef zijn wanneer hij of een andere spreker het zwarte oorlogsverleden niet radicaal afzweert? Of, “verdwijnt zo de blinde vlek van de collaboratie uit ons land”? In het slot van zijn artikel koppelt Philippe Van Meerbeeck die verwachting aan de hoop dat de Franstalige openbare omroep een voorbeeld neemt aan de VRT-docureeks Kinderen van de collaboratie, uitgezonden op Canvas in 2017. Drie jaar later is het eindelijk zo ver. Niets te vroeg.

De Franstalige persaandacht voor het thema en de Vlaamse reeks in het bijzonder, maar ook de publieksreacties tijdens de presentatie van het boek Papy-était il un nazi? op de Foire du Livre (2018) en de permanente stroom vragen van Franstalige nabestaanden in de inbox van oorlogshistorici en archivarissen pleiten al lang voor een Franstalige pendant van de reeks. Al in januari 2018 gingen het productiehuis DeMensen/Les Gens en ik een eerste keer langs bij de RTBf om het idee aan de man te brengen. Tegenover het onmiddellijke enthousiasme van de VRT – waar ik vier jaar eerder met eenzelfde conceptnota de docureeksen over oorlogskinderen van collaboratie, verzet en de Holocaust voorstelde – ging de eerste interesse van de Franstalige openbare omroep gepaard met enige pudeur en elegante terughoudendheid. Het duurde even om scepsis weg te masseren en de maatschappelijke relevantie van de reeks te beargumenteren, maar uiteindelijk kreeg Les Gens groen licht om de gedreven regisseur Tristan Bourlard (Zest Studio) en journaliste Anne-Cécile Huwart de reeks te laten ontwikkelen en produceren.

Tijdens hun zoektocht naar getuigen en historische context stootten ze op net dezelfde problemen als voormalig CegeSoma-medewerkster Florence Rasmont die in het kader van het Belspo-project Transmemosamen met Aline Cordonnier en Pierre Bouchat de intergenerationele herinneringsoverdracht van oorlogsherinneringen onderzocht in Franstalige families van collaborateurs en verzetsmensen.  Net zoals hun moeizame zoektocht naar getuigenissen van collaboratiefamilies ten zuiden van de taalgrens verliep die voor de makers van Les enfants de la collaboration evenmin van een leien dakje.

Hoewel het idee en ook de vorm van de Franstalige documentaire op het eerste gezicht sterk gelijkend zijn aan die van de Vlaamse reeks, is er meteen een bijzonder opvallend verschil. De open deur hangt in vastgeroeste hengsels: in Franstalig België zijn er minder mensen bereid vrijuit te spreken over hun familiaal collaboratieverleden. Waar je in Vlaanderen dreigt te struikelen over alleen al de publieke figuren die er geen geheim van maken, is het er zoeken naar mensen die openlijk willen getuigen over de samenwerking van (groot)vader of -moeder met de Duitse bezetter. De keuzestress en ook het comfort om uit de grote verzameling interessante verhalen de juiste sprekers te selecteren tijdens de voorbereiding van de Vlaamse reeks ruimde bij het maken van de Franstalige documentaire baan voor het pragmatisme van de dag: wie zich aandiende, was meer dan welkom – incluis kleinkinderen of Franstalige kinderen van Vlaamse collaborateurs. Ondanks de kleine hindernis om bij de Canvas-reeks een evenwichtige representativiteit voor alle vormen van collaboratie te bekomen – familieverhalen van economische collaboratie en verklikking bleven eerder buiten beeld – was er bovenal de luxe om met sterke verhalen ook een gelijke regionale spreiding en een genderbalans te garanderen. Ook de politiek-ideologische schaal waarop de getuigen zich bewogen, was uitgebreid gekalibreerd op de heterogene werkelijkheid, gaande van links en uiterst links tot radicaal en onverbloemd extreem-rechts. Enkele Vlaamse nabestaanden voelden zich allerminst te beschroomd om op beeld nostalgisch-verheerlijkend terug te kijken op de oorlogsjaren en retorisch uit het zwarte vat van de collaboratie te tappen. Diezelfde vranke houding van een via de familie overgeleverd fascistisch mens- en maatschappijbeeld is daarom niet afwezig in Franstalig België, maar ze laat er zich wel moeilijker op camera vangen. De kringen van neorexisten met een stamboom in de jaren veertig zijn gekend, maar duidelijk meer op hun hoede om in het voetlicht te treden dan de geestesgenoten in Vlaanderen. Dat geldt bovendien net zo goed voor Franstalige nabestaanden die dat verleden en, met dat verleden, hun ouders radicaal de rug toekeerden.


De deconstructie van de herinnering

Het stigma, en dus de omerta, is er simpelweg groter dan in Vlaanderen. Dat is overigens geen nieuw fenomeen, integendeel. Ook in de jaren tachtig, in de reeksen van Maurice De Wilde, of in de docureeks Jours de Guerre – die de openbare omroep in de periode 1989-2001 voor televisie en radio bracht – staat de drempelvrees van Franstalige collaborateurs om met naam en toenaam te getuigen in schril contrast met de bereidheid van Vlamingen. Het is verleidelijk dat verschil als een erflast te analyseren die via het DNA aan de navolgende generaties automatisch lijkt doorgegeven. Toch is die overdracht geen intrinsieke wetmatigheid, als een optelsom van een specifieke eigensoortige individuele psychologie in Franstalig België of als vrucht van een veronderstelde verschillende volksaard. Het is het resultaat van politiek-maatschappelijke krachten en machten die het collectieve geheugen, en zo ook het morele en normatieve kader, van een samenleving of groepen uit die samenleving kneden. Hoewel de collaboratie in Vlaanderen net zoals in Franstalig België de zaak was van een absolute minderheid, is zij er wel in geslaagd om via politieke, culturele, economische en sociale allianties lange tijd een sterke speler te worden in de beeldvorming over de jaren veertig. In de Vlaamse reeks komt precies die analyse uitgebreid aan bod in een zevende expertenaflevering. Terwijl sommige criticasters meenden dat Kinderen van de collaboratie niet over de geschiedenis ging maar louter en alleen over de herinnering en historische ervaring van de nabestaanden schuilt er in die uitgepuurde inhoudelijke toevoeging wel degelijk een historiografische meerwaarde. Voor vele kijkers was die aflevering met specialisten – samen met de feitelijke duiding in voice-over – een even noodzakelijk als cruciaal sluitstuk om de gehele reeks te waarderen als verfrissend, origineel en ontluisterend voor het historisch bewustzijn. In mijn oorspronkelijke conceptnota voor zowel de VRT als RTBf stond die extra aflevering ingeschreven als noodzakelijk om de bestaande beeldvorming over dat verleden te deconstrueren en de historische stand van zaken op punt te stellen. Bij de RTBf is die optie spijtig genoeg – maar hopelijk voorlopig – geëvacueerd naar de online-omgeving van Auvio RTBf  en CegeSoma. In een drieluik van telkens twintig minuten blijven het bereik en de impact van de inzichten van de geïnterviewde experten zo gescheiden van het verhaal van de getuigen, als ware het niet meer dan een virtuele voetnoot, eerder dan een fundamenteel hoofdstuk om die getuigenissen aan de nodige wetenschappelijke kritiek te onderwerpen en in de historische context te plaatsen.

Is dat het gevolg van marktstrategische overwegingen, de morele doorwerking van een maatschappelijk taboe of de combinatie van de twee? Ook bij de totstandkoming van het boek Papy-était il un nazi? waren beide stromingen onder de waterlijn soms voelbaar: van mercantiele twijfels over het succes van een Franstalig gids voor de geschiedenis en archieven van de collaboratie tot bezwaren van vakgenoten die de wetenschappelijke nuances en interpretaties van oorspronkelijk Nederlandstalige teksten in Franse vertaling verkeerdelijk als tendentieuze uitspraken begrepen. Als het gaat over de schaduwzijde van de jaren veertig is het er nog altijd op eieren lopen.

Verklaart dat ook het verschil in middelen en budget om de documentaire te maken? Franstalig België heeft met één aflevering van negentig minuten bijna vier keer minder zendtijd voor eenzelfde onderwerp dat in Vlaanderen zeven maal vijftig minuten krijgt. Aan de VRT kreeg een professionele, uitgebreide redactieploeg uit eigen huis de vrijheid en het vertrouwen om onder deskundige leiding van eindredacteur Geert Clerbout een zeer brede research op te zetten en te vertalen naar een zorgvuldig uitgebalanceerd narratief in verschillende hoofdstukken. Voor Franstalig België moesten het productiehuis Les Gens en de freelancers Tristan Bourlard en Anne-Cécile Huwart het grotendeels op zichzelf rooien. Ze zijn er wonderwel in geslaagd, maar kregen door die beperkte financiële manoeuvreerruimte ook minder montagemarge om van de Franstalige reeks het volwaardige spiegelbeeld van de Vlaamse te maken. De RTBf heeft zo een geweldige kans laten liggen om mogelijke kritiek en controverse te ontmijnen. Meerdere afleveringen laten namelijk beter toe om de complexe en gevoelige historische werkelijkheid op een rustig tempo in de breedte en diepte te reconstrueren.


jours-de-guerre.jpg
kinderen-van-de-collaboratie.jpg
couv-aerts.jpg
Oorspronkelijke legende : Het boek "Kinderen van de repressie. Hoe Vlaanderen worstelt met de bestraffing van de collaboratie" verschijnt bij Polis in oktober 2018

Maurice De Wilde 2.0

Gecondenseerd in één aflevering van negentig minuten zou het niet verbazen dat vooral het optreden van de kleinzoon van Léon Degrelle net zo verveeld en zenuwachtig onthaald zal worden als het interview met zijn grootvader veertig jaar eerder. Zelfs de Vlaamse publieke opinie moest aanvankelijk nog wennen aan een format dat kinderen van collaborateurs in alle breekbare menselijkheid – incluis hun vergoelijkingen en verheerlijkingen – zomaar het woord verleende. Om de uitzendingen op voorhand het nodige kader te geven publiceerden we met enkele vakgenoten daarom veiligheidshalve een opiniestuk ten geleide en verdediging van de lancering, om te anticiperen op eventuele argwaan. Toch bleef de kritiek niet uit. Allerminst. Sommige criticasters beweerden aanvankelijk dat Maurice De Wilde zich in zijn graf zou omdraaien. Gespeend van enige kennis over het werk van de journalist loopt die morbide verzuchting minstens op twee manieren mank. Ze maakt abstractie van het feit dat Maurice De Wilde in verzetskringen en bij justitie net zo gevreesd en geschuwd werd als in collaboratiekringen, aangezien hij net zomin de roede spaarde voor wat er volgens hem scheef zat aan de weerstand en de naoorlogse bestraffing. Bovendien mist die uitspraak het hele opzet van een reeks die nadrukkelijk geen Maurice De Wilde 2.0 wou zijn, maar in beeld wil brengen hoe dat ouderlijke oorlogsverleden het leven en denken van hun kinderen bepaald heeft. Niet de protagonisten, maar wel hun nageslacht kwam aan het woord, kinderen die geen verantwoordelijkheid dragen voor de collaboratie van vader en moeder. Aanvankelijk leidde die perspectiefwissel tot een morele knoop in de maag bij een deel van televisiekijkend Vlaanderen. Waarom werden ze niet harder aangepakt? Waarom werden hun herinneringen niet direct getoetst met de historische feiten? Tezelfdertijd leek in bepaalde rechtse en extreemrechtse, voornamelijk Vlaams-nationalistische middens het fundamenteel ingebakken wantrouwen tegenover de VRT als de “rode Reyerslaan” enigszins te ontdooien omdat de intieme kijk van het kind de collaborateurs ook in een herkenbare en dus aanvaardbare huiselijkheid plaatste. Beide diametraal tegenoverstelde en uiterste meningen over de eerste aflevering ijkten zich op eenzelfde punt – de menselijke meerstemmigheid van de collaboratie – maar wisselden in de loop van de uitzendingen uiteindelijk volledig van toon. Naarmate de uitzendingen elkaar opvolgden kreeg de historische duiding meer en meer grond om ook de heetste hangijzers, zoals de Holocaust en het doorleven van het zwarte gedachtegoed, uitgebreid te verbeelden en uit te werken. De eerste sceptici verwelkomden die evolutie uiteindelijk als noodzakelijke en geslaagde omkadering, terwijl de andere kant de oorspronkelijke mening over de gehate “politiek-correcte propagandatoeter” van de Belgische staat alsnog dubbel en dik bevestigd zag.

 

Publieke middelen voor publieksgeschiedenis

Enfants de la collaboration krijgt spijtig genoeg niet die kans om televisiekijkend Franstalig België enkele weken achtereen op sleeptouw te nemen. Alleen daarom al verdient het aanbeveling de online geplaatste interviews met experten te bekijken. Ze vormen de ideale bliksemafleider voor alle onbeantwoorde vragen. Tegelijk is het interessant vast te stellen hoe regisseur Tristan Bourlard er met een creatieve oplossing toch in slaagde om binnen de beperkte tijd de historische toets letterlijk en direct in de documentaire te plaatsen. Anders dan in de Vlaamse reeks gaat hij met de getuigen naar de archieven om het gerechtelijk dossier van de verwante collaborateurs te raadplegen. Het levert straffe beelden op waarbij de geïnterviewden onder deskundige begeleiding van de historici Chantal Kesteloot en Alain Colignon inzage krijgen. Sommige nabestaanden krijgen het moeilijk bij de kennisname van de feiten, anderen ervaren een heuse openbaring na een leven lang stilzwijgen. Een enkeling blijft ondanks dozen verpletterend bewijsmateriaal stoïcijns kalm vasthouden aan de eigen vergoelijkende overtuiging. Die fragmenten zijn belangrijk, vanuit wetenschappelijk en maatschappelijk oogpunt. Wie aandachtig kijkt, ziet in de rijkdom aan reacties minstens impliciet hoe de persoonlijke ontvankelijkheid voor de juridische – en zo deels ook historische – waarheid kan samenhangen met onder andere de omgeving en breder de samenleving waarin men als kind opgroeit. Tegelijk illustreren ze duidelijk de waarde van archieven en de publieke toegang tot wetenschappelijke kennis in het algemeen. Even onmisbaar en onzichtbaar als de medewerkers van Maurice De Wilde zorgen archivarissen achter de schermen dagelijks onvermoeibaar voor de juiste begeleiding en ontsluiting van de bronnen die deze gevoelige geschiedenis als een historische geweten voor het nageslacht documenteren. Hun taak is van onmetelijk belang voor zowel de individuele als maatschappelijke verwerking van het oorlogsverleden, omgekeerd evenredig aan hun hoogstens terloopse vermelding in de generiek van programma’s of het dankwoord in publicaties. In een land waar precies de herinnering aan collaboratie en repressie een communautaire splijtzwam is, is het beschamend vast te stellen dat zij met beperkte federale middelen en in een gebrekkige kelderinfrastructuur het historische bewijsmateriaal moeten bewaren onder de permanente dreiging dat een eenvoudig rioleringslek het zwarte verleden onleesbaar bruin kleurt. Als een zelfbewuste democratie zich toont in de mate van zorgzaamheid voor haar archieven scoort België een tekort als het gaat over faciliteiten, niet op basis van personeelsvlijt. De Vlaamse reeks leidde alleszins tot een toename van de vragen van nabestaanden om de bronnen te mogen inkijken. In hun antwoorden en discrete opvolging blijkt dat de archivarissen daarbij in hun professionaliteit als expert steevast ook een waardevolle sociaal-therapeutische functie vervullen. Voor Franstalig België is dat niet anders, integendeel, te meer omdat het maatschappelijke taboe er nog groter is. Enfants de la collaboration maakt duidelijk dat de herinnering aan en de geschiedenis van de collaboratie geen exclusief Vlaamse aangelegenheid zijn. Het onderstreept de actuele relevantie van het Rijksarchief en zo ook de nood aan structurele federale steun, gedragen door alle gemeenschappen van het land.

Tegelijk is de documentaire, net als de Vlaamse reeks, onverhoeds verpakt als een pleidooi voor wetenschapscommunicatie en publieksgeschiedenis. Ten tijde van de uitzendingen van Maurice De Wilde zijn het nog onbestaande begrippen voor de gewoonte en evidente waarden van academici om als vanzelfsprekend positie te nemen in het publieke en politieke debat, maar vandaag kampen verschillende historici met pleinvrees. Ze schuwen de verdichting, vereenvoudiging en binnenwegen bij de verbeelding van dat verleden in documentaires, literatuur, films en radio. De methodologische zuiverheid van een academisch referaat lijkt in hun ogen tegengesteld aan de uitgezeefde vertaalslag in vulgariserende werken en populaire media- en beeldcultuur. Spijtig, want die opvatting is behalve een vals dilemma ook een gemiste kans. Wie geschiedenis breed aan de man wil brengen, moet gelijk oversteken. Onvermijdelijk leidt dat tot een compromis waarbij de wetten van het beeld en de verwachtingen van het publiek moeilijk rijmen met historische volledigheid of representativiteit, maar een zo goed mogelijk uitgebalanceerde, deontologisch aanvaardbare rekkelijkheid is beter dan helemaal geen inhoudelijke ondersteuning, verificatie en bijsturing. Uiteraard zijn er concessies nodig, uiteraard is geschiedschrijving meer dan een goed verteld verhaal alleen, maar tegelijk kan een goed verhaal op basis van wetenschappelijke studie en begeleiding het historische bewustzijn scherper stellen dan decennialang onderzoek dat opgesloten blijft in gespecialiseerde vaktijdschriften. Een dynamisch wetenschapsbeleid dat binnen bestaande onderzoeksprogramma’s en projecten onderzoekers het vertrouwen en de vrijheid biedt – desnoods zelfs af te wijken – om in niet-academische vormen maatschappelijke vraagstukken te problematiseren geeft de burger als aandeelhouder meteen een rendement op zijn zuur betaalde belastingen. Zelfs voor historiografische werven waarvan de grote lijnen binnen de wetenschappelijke wereld al lang zijn uitgetekend, loont het de moeite om er nog publieke aandacht aan te schenken. Uit de ontvangen publiekscommentaren op de zevende aflevering van de Vlaamse reeks sprak zo evenveel verwondering als verbazing over de wijze waarop experten de lange tijd hegemonische beeldvorming over het Vlaamse collaboratieverleden ontmaskerden. In verschillende variaties en versies is die analyse decennialang bekend in de wetenschappelijke geschiedschrijving, maar de echo daarvan drong nooit echt door bij het brede publiek zelf. Het is dankzij de regiekunsten van de Canvas-ploeg dat deze droge inzichten via klank en beeld de huiskamers van gemiddeld 529.000 kijkers per week bereikten.

 

2019-10-01-kinderen-van-het-verzet-12-van-40.jpg

Tot slot: pour les francophones la même chose?

Die vaststelling vormt als slot een nuttig prisma om na de uitzending de impact van Enfants de la collaboration te vergelijken. Hoeveel Franstalige kijkers zullen op La Une afstemmen? Wat zullen ze onthouden en hoe zal de pers reageren? Hoe wordt de documentaire gewaardeerd? De antwoorden op die vragen kunnen niet geformuleerd worden zonder rekening te houden met de belangrijkste, hierboven aangestipte verschillen met de Vlaamse reeks. Bovendien zijn ze enkel eerlijk als ook het drieluik met de experten online wordt bekeken. Zal een eventueel sterk kijkcijfer tot een vervolg leiden? De VRT vervolledigde de oorlogstrilogie met Kinderen van het verzet (2019) en Kinderen van de Holocaust (2020), goed voor respectievelijk gemiddeld 369.000 en 487.000 kijkers per aflevering. Zien we de populariteit per onderwerp verhoudingsgewijs gespiegeld ten zuiden van de taalgrens of niet? Zou de RTBf evenveel of meer budget veil hebben voor minder vervelende aspecten van de jaren veertig?  En finaal, zeggen de beschikbare productiemiddelen en de receptiecijfers iets over de doorwerking van maatschappelijke krachten en machten die het collectief geheugen van een samenleving vorm geven, zowel voor Vlaanderen als Franstalig België, al dan niet tot op heden?


kinderen-van-de-holocaust.jpg