Blog

Kinderen van het kalifaat of kinderen van de rechtsstaat?

Auteur : Aerts Koen (Instelling : UGent)

koen-aerts.jpg

Koen Aerts

Koen Aerts is historicus aan de Universiteit Gent. Deze opinie verscheen in "De Standaard" van 28 september 2018.

Twee weken geleden besliste het Brusselse Hof van Beroep dat de staat wegens gebrek aan rechtsmacht niet verplicht is om zes minderjarige kinderen van Belgische IS-vrouwen te repatriëren uit een Koerdisch gevangenkamp. Merkwaardig. Bommenwerpers sturen gaat vlotter dan kinderen halen. Op lange termijn dient dat laatste de bestrijding van radicalisering nochtans het best.

Een vraagstuk dat minstens 75 jaar oud is

Wat als de volgende generatie wraak wil nemen? Het vraagstuk is minstens 75 jaar oud. Een jaar na de Tweede Wereldoorlog evalueert de Sociale Dienst van Justitie de potentiële gevolgen van de vervolging van de collaboratie: “Bij de families overheerst het gevoel slachtoffer te zijn van een onrechtvaardige bestraffing. Er ontstaan sterke solidariteitsbanden” (1). Gezinnen die zich verenigen in nieuwe netwerken vormen volgens het rapport een nieuw risico voor de veiligheid van de staat. Na de bevrijding straft België 100.000 personen als volkseigen vijanden van de democratische rechtsstaat: van meelopers en passieve leden tot gewapende vrijwilligers, verklikkers, sadistische beulen en moordenaars die betrokken zijn bij de dood van honderden en zelfs duizenden mensen. Radicalisering in het kwadraat, veel meer dan vandaag. We lijken er weinig van te leren. Voor sommigen zit de parallel tussen de primaire actoren niet lekker – SS versus IS – maar voor hun kinderen is ze per definitie rechtmatig: zij zijn onschuldig, toen en nu. Het huiswerk van de jaren veertig toont hoe hoop voor de kinderen cruciaal is voor de wijze waarop een open samenleving met voldoende zelfrespect gewelddadige radicalisering kan overleven.

Gerda De Bock, specialiste kinderbescherming aan de universiteit van Gent, waarschuwt in 1946 voor de besmetting van de families en de kinderen in het bijzonder, “want het is nog gevaarlijker voor een staat, de moeders, opvoedsters der toekomende generatie, tegen te hebben” (2). Hetzelfde jaar, in zijn openingsrede aan het Gentse Hof van Beroep, benadrukt procureur-generaal Hermann Bekaert dat de bestraffing niet louter een uitsluitingstaak is: de veroordeelde moet kunnen terugkeren in het maatschappelijke leven en het is een plicht die terugkeer te verzekeren (3). Dat idee van de maakbare mens zit ook in het wetsvoorstel waarmee de Franstalige communist Jean Fonteyne in 1947 als eerste een algemene strafvermindering voor geradicaliseerde jeugd bepleit. Door in te zetten op beter onderwijs acht hij het mogelijk hen “terug te brengen tot loyale vaderlandsliefde, veeleer dan door bestraffende maatregelen”(4). Ouvrir une école, c’est fermer une prison, zo luidt het credo. Criticasters horen vooral de zang van de goedgelovige Gutmensch. Toch is het precies dat waar de Dienst Wederopvoeding, Reclassering en Voogdij (5) nog geen twee jaar na de Tweede Wereldoorlog op inzet. Opleidingen en onderwijs, met veel ruimte voor eigen initiatief, moeten de veroordeelden voorbereiden op een leven na de straf met gezin en kinderen. Het is een opmerkelijk optimistisch en ambitieus beleidsprogramma (6). Hoe verklaar je dan de terughoudendheid 75 jaar later? Zijn het onze kinderen niet als de ouders met een vlag zwaaien die hier geen culturele wortels heeft? Zijn het ongewenste exoten, wolvenwelpen in plaats van lammetjes uit eigen kudde? Zijn wij misschien harder en is het de rechtsstaat die radicaliseert? Of pakt onze historische ervaring slechter uit dan de leer?

25481
Instelling : CegeSoma
Auteursrecht : rechten voorbehouden
Oorspronkelijke legende : [Photo Alexis]

Hogescholen van de haat

Hoewel een studie (7) van de Verenigde Naties in 1948 de Belgische aanpak looft als voorbeeld voor andere landen, is het resultaat op het eerste gezicht minder positief dan verwacht. De opsluiting sterkt verschillende collaborateurs in hun geloof in plaats van dat ze er afstand van nemen. Onaangepaste penitentiaire faciliteiten, een gemeenschapsregime, gebrek aan opgeleid gevangenispersoneel en een tekort aan individuele opvolging lijken de radicalisering eerder te verergeren in plaats van ze in te dijken. De middelen zijn ontoereikend om de overtuiging van de gedetineerden te breken. Ward Hermans (8), medeoprichter van de Algemene SS-Vlaanderen, omschrijft de gevangenissen in zijn roman Het land van Onan (1964) betekenisvol als “hogescholen van de haat”. Eenmaal vrij belanden ze met hun kinderen in getto’s van het eigen gelijk en maken ze gretig gebruik van de grondwettelijke vrijheid om zich opnieuw te organiseren met een belegeringsmentaliteit van wij tegen de wereld. Niet de collaboratie is fout, maar wel de naoorlogse bestraffing die hen alle kansen ontneemt. Het kroost krijgt het met de paplepel mee. Ondanks het advies van wetenschappers en topambtenaren neemt de overheid geen actieve zorgplicht op en laat ze hen in de steek. Minderjarigen delen tijdens de bevrijding in de klappen, worden slachtoffer van pesterijen en krijgen door een onaangepast repressie-apparaat juridisch soms mee de rekening gepresenteerd. Door een onverschillig non-interventiebeleid laat België meer ruimte aan dynamieken van politisering. Tijdens de pioniersjaren van de Volksunie is het activisme van kinderen van de collaboratie fundamenteel voor het herrijzende Vlaams-nationalistische project. In 1958 dreigt de partij in haar gelijknamig blad even vrank als profetisch: “Het is een psychologisch feit dat ze deze herinneringen een gans leven lang met zich zullen meedragen. [...] Schandalig onrecht wordt steeds gewroken al is het een generatie later” (9). Via de democratie deze keer. Uiteindelijk zetelt er voor de Volksunie zelfs een voormalig oostfrontstrijder in de senaatscommissie van Landsverdediging (10), één van de verschillende parlementairen met een collaboratieverleden. Dat is opmerkelijk.

Milde recidive

Op het tweede gezicht werkt het neutraliseren van extremisme wel degelijk, ten minste in de praktijk. In de hoofden blijkt het schuldbesef niet altijd aanwezig, zo getuigen vele amnestievoorstellen. Bovendien blijft één radicale doelstelling dezelfde: België is nog steeds de vijand van weleer. Toch voelt de naoorlogse rechtsstaat zich weerbaar genoeg om het Vlaams-nationalisme als een politiek-legitieme uitdaging in plaats van een veiligheidsprobleem te zien. De machtsgreep tijdens de nazi-bezetting ligt nog vers in het geheugen, maar de wapens zijn geruild voor verkiezingen en mandaten. Principieel laat de democratie die milde recidive van radicalisering toe. De kritische grens ligt bij geweld, discriminatie en oproepen tot haat. Slechts een minderheid voegt zich na de oorlog nog bij paramilitaire formaties of houdt zich onledig met gitzwarte strijdliederen en gore praat in ranzige organisaties. Radicalisering heeft alle kleuren, gedaanten en gradaties, van geweldloos en democratisch tot totalitair en gewelddadig. Die nuance is net zo belangrijk als de vaststelling dat een grote groep kinderen van de collaboratie zich afkeert van het mens- en maatschappijbeeld van hun ouders tijdens de jaren veertig. Ze gaan verschillende richtingen uit, militeren in alle politieke strekkingen, in vakbonden, mensenrechtenbewegingen en zelfs bij het Anti-Fascistisch Front. Vaak gebeurt dat op eigen krachten, al dan niet in bitter conflict met de naaste omgeving. De staat die kansen creëert, de samenleving die integratie aanvaardt, een succesvol leven, het is niet zelden bepalend om gewelddadig extremisme weg te masseren. Het werkt, zelfs bij kinderen die het foute uniform hebben gedragen. Hugo Claus, Hugo Schiltz en André Leysen zijn slechts enkele voorbeelden.

Slachtoffers, geen daders

Er loopt geen rechte lijn van de kinderen naar hun ouders of omgekeerd. Alleen daarom al is het een morele plicht om kinderen uit oorlogsgebied te repatriëren. Moeten we de open samenleving dan niet verdedigen tegen de intolerante medemens om de tolerantie te kunnen vrijwaren? Die paradox of tolerance van Karl Popper stelt zich niet, want het zijn kinderen. Slachtoffers, geen daders. Het grootste gevaar voor de tolerantie komt net van een extremisme dat ze de facto schuldig maakt aan zaken waar ze geen verantwoordelijkheid voor dragen. We komen van ver. De rechtsstaat was 75 jaar geleden volwassen genoeg om een grotere golf van radicalisering te pacificeren. Meer nog, vandaag ligt het bestuur van de natie mee in handen van degenen die het land nog steeds naar de verdoemenis wensen, onder andere gevoed door ressentimenten uit het oorlogsverleden. Die paradoxale uitkomst is het resultaat van parlementaire conflictbeheersing op basis van liberaal-democratische grondwaarden. Aan hen dus deze historische missie op maat, de kans op een statement, de perfecte wraak voor “schandalig onrecht”. Blijf niet onverschillig en maak van de kinderen van het kalifaat kinderen van de rechtsstaat. Geef geen vrij spel aan politisering, handel naar principes van menselijkheid, van de Verlichting als dat beter bekt. Ethiek staat boven juridische bezwaren. Het is beter hen te redden met barmhartigheid dan hen te laten rotten in de haat. Daar ligt het radicale onderscheid tussen een open en gesloten samenleving.

Voetnoten

(1)Het originele citaat luidt : “Le sentiment d’être victime d’une injustice est celui qui domine chez les familles des condamnés. [...] Une solidarité de misère les unit.” Léo De Bray, “La répression de l’incivisme en Belgique. Le milieu familial des condamnés pour incivisme”, in: Revue de droit pénal et de criminologie, 1946-1947, p. 923. Léo De Bray is inspectrice bij de Sociale Dienst van het ministerie van Justitie als ze deze bijdrage publiceert over Le milieu familial des condamnés pour incivisme. Het is een in de historiografie amper of niet opgemerkte pioniersstudie naar de motivatie van de collaboratie en het sociaal-economische profiel van de collaborateur, in relatie met de gevolgen van de bestraffing. Ze bouwt haar analyse in eerste instantie op 374 monografieën over collaborateurs opgesteld door de maatschappelijke assistenten verbonden aan de penitentiaire dienst van het ministerie. Die kennis is aangevuld met de informatie uit 3.253 onderzoeksrapporten over gezinnen van collaborateurs en daarbovenop nog eens 1.492 voogdijdossiers van de Sociale Dienst. Bij de onderzoeksrapporten gaat het om de gezinnen van collaborateurs die in de mijnen tewerkgesteld werden. De maatschappelijke assistenten gingen na aan wie zij een deel van hun loon stortten en wonnen tegelijk informatie in over de materiële omstandigheden van het gezin en de houding ten opzichte van de collaborateur, de feiten en de sancties.

 (2)Gerda De Bock, Incivisme en repressie: een onderzoek in de vrouwenafdeling van het interneringscentrum te Gent, Antwerpen, De Sikkel, 1946, p. 48. De juriste en criminologe Gerda De Bock, gespecialiseerd in kinderbescherming, doet in 1946 onderzoek naar de vrouwenafdelingen van het Gentse interneringscentrum. Ze legt de basis voor het academisch sociaal werk in Vlaanderen. Zie ook: http://www.ugentmemorie.be/personen/de-bock-gerda-1922-2011.

(3)Hermann Bekaert, “Maatschappelijke problemen van het incivisme”, in: Rechtskundig Tijdschrift voor België, 1946, p. 194. Als procureur-generaal wijdt Hermann Bekaert op 16 september 1946 aan het Gentse Hof van Beroep zijn plechtige openingszitting aan dit onderwerp, gebaseerd onder andere op de resultaten van de studies van Gerda De Bock en Léo De Bray.

(4) Parlementaire Documenten, Senaat, Wetsvoorstel tot verlening van uitstel voor de tenuitvoerlegging van zekere veroordelingen wegens door minderjarigen gepleegde inbreuken op de veiligheid van de Staat, 25 november 1947, nr. 21. Ingediend en ondertekend door Jean Fonteyne, Ferdinand Minnaert, Henri Glineur, Jean Taillard. Jean Fonteyne, communistisch senator voor het arrondissement Thuin-Charleroi, is de eerste die zo al in 1947 een wetsvoorstel indient dat op min of meer brede basis een vermindering van de strafuitvoering beoogt bij misdrijven tegen de uitwendige veiligheid van de staat. De eerste zin waarmee hij dat voorstel inleidt, luidt als volgt: "De bestraffing van het verraad in oorlogstijd werd, in België, door afgetekende ongelijkheid gekenmerkt.” De teneur van zijn tekst is vooral dat minderjarige "lampisten” te streng zijn bestraft. De integrale tekst is hier raadpleegbaar: http://senaat.be/www/?MIval=/index_senate&MENUID=22103&LANG=nl. Twee jaar later dienen de communistische partijgenoten Bert Van Hoorick, Suzanne Grégoire, Léon Timmermans hetzelfde voorstel in bij de Kamer. Parlementaire Documenten, Kamer, Wetsvoorstel tot verlening van uitstel voor de tenuitvoerlegging van zekere veroordelingen wegens door minderjarigen gepleegde inbreuken op de veiligheid van de Staat, 17 mei 1949, nr. 480. Zie ook: Werner Vandenabeele, “Bert Van Hoorick was dan toch niet de eerste. De KPB en de repressie.”, in: Vlaams Marxistisch Tijdschrift, XXXIII, 1999, 2, pp. 64-67.


(5)De Dienst Wederopvoeding, Reclassering en Voogdij is opgericht op 3 november 1946. Directeur William Hanssens verheft de wederopvoeding tot een persoonlijke missie. Regelmatig publiceert hij razend interessante en actueel nog steeds relevante rapporten over de werking en de resultaten van de heropvoeding. In 1948 bijvoorbeeld motiveert hij in een artikel het belang van zijn dienst in duidelijke woorden: "La plupart d’entre eux, sinon tous, avaient une conscience de vaincus livrés aux vainqueurs, et non point une conscience de coupables, déférés à leurs juges. Si nous n’y prenions garde, leur état d’esprit devait devenir celui de victimes se croyant injustement traitées, et non celui de condamnés, disposés à s’amender, pour avoir compris et accepté la justice de leur châtiment." William Hanssens, "Autres considérations sur la rééducation des inciviques", in: Revue de droit pénal et de criminologie, 1948–1949, pp. 356–389.

(6) Over dat heropvoedingsprogramma in vergelijkend perspectief met Nederland, zie: Helen Grevers, Van landverraders tot goede vaderlanders. De opsluiting van collaborateurs in Nederland en België, 1944–1950, Amsterdam, Balans, 2013.

(7)Thérèse Brosse, L’enfance victime de la guerre. Une étude de la situation euro- péenne, Parijs, Unesco, 1949, pp. 105– 108.
 In 1947 bestelt de Algemene Vergadering van Unesco een studie over onderwijsproblemen bij oorlogskinderen. Twee jaar later brengt dit eindrapport voor verschillende Europese landen een overzicht van het aantal oorlogswezen, de kwaliteit van het onderwijs, de schoolinfrastructuur en de fysieke en de psychologische noden van de jeugd. Ook de bijzondere groep van kinderen uit repressiegezinnen passeert kort de revue, wellicht de enige keer dat ze ook voor België in een studie over oorlogsslachtoffers verschijnen. De studie is hier integraal raadpleegbaar: http://unesdoc.unesco.org/images/0013/001337/133701fo.pdf.

(8)Ward Hermans (1897-1992) is samen met René Lagrou de oprichter van de Algemene SS-Vlaanderen. 

(9) Dit citaat komt uit het gelijknamige partijblad van de Volksunie. “O, die jongeren!”, in: De Volksunie, 15 februari 1958, nr. 4, p. 2.

(10) Het gaat om Oswald Van Ooteghem. Zie hierover het oorlogsportret: https://www.belgiumwwii.be/nl/oorlogsportretten/oswald-van-ooteghem.html.  In 2017 vertelt hij in een interview: “Iedere keer weer moet ik me verdedigen voor ideeën die niet de mijne zijn. Wat ik gedaan heb, deed ik weliswaar met volle overtuiging. Maar stel dat jij een man ziet verdrinken. Je snelt hem te hulp en kan hem redden. Achteraf blijkt het om een moordenaar te gaan. Heb je dan spijt? Nee, toch? Ik heb alleszins een zuiver geweten.” Guy Van Gestel, “'Mijn kameraad stond naast me. En toen viel die granaat...'”, in: Dag Allemaal, 17 januari 2017. In 2008 luidde het minstens zo fel: “"Ik ga op mijn 83ste niet meer in het stof kruipen. Wie iets doet uit volle overtuiging, moet zich niet schuldig voelen." Peter-Jan Bogaert, “Een stuk”, in: De Morgen, 7 juni 2008.

Reageren?

U wordt geraakt door deze bijdrage of u wenst te reageren? Uw opmerkingen, commentaren en ideeën zijn welkom via belgiumwwii@arch.be