Blog

Moeten historici de democratie redden ? Engagement vs. neutraliteit

Auteur : Wouters Nico (Instelling : CegeSoma)

photo_nico_wouters_5-6-2018.jpg

Nico Wouters

Hoofd CegeSoma/Rijksarchief

In de context van 50 jaar CegeSoma blogt Nico Wouters over het spanningsveld tussen herinnering en geschiedenis m.b.t. WOII. Vandaag deel 2 : maatschappelijk engagement of kritische afstandelijkheid ? Het eerste deel had als thema de relaties tussen historici en getuigen

De politieke urgentie (1945-1995)

Historici en maatschappelijk engagement : het is een oud spanningsveld.  Als het de kerntaak van historici is het verleden te bestuderen, impliceert dat dan niet best een zekere afstand tot het heden ? Een eenduidig antwoord op die vraag bestaat niet. Alles hangt af van de context; of van wat je met ‘engagement’ bedoelt. Toch loont het de moeite na te denken over deze vraag.

De eerste twee decennia na 1945 waren Belgische historici duidelijk maatschappelijk geëngageerd (Witte, 2009). Maar ze hielden zich bewust niet bezig met recente geschiedenis. Eigentijdse (of hedendaagse) geschiedenis stopte vaak nog in 1914. Het debat over WOII werd dus vooral gevoerd door de generatie die met twee voeten in die oorlog had gestaan. WOII bleef dus onvermijdelijk actuele politiek. Vanaf 1969 verzetten historici zich hiertegen. Het pioniersboek  l’An 40 van José Gotovitch en Jules Gérard-Libois uit 1971 wilde ‘afstandelijke’ geschiedschrijving van WOII lanceren. Dat betekende dus : zich boven de politieke discussies stellen. Die wetenschappelijke afstand bereikten de auteurs door empirisch archiefonderzoek en nieuwe ‘objectiverende’ methoden, vaak geleend uit de sociale wetenschappen. Maar zelfs die nieuwe stroming van geobjectiveerde WOII-geschiedschrijving kwam nooit los van de politieke urgentie. Haast alle historici van WOII in de jaren 1970-1980 hadden een duidelijk profiel of engagement. Zoals Rudi van Doorslaer, de latere directeur van het CegeSoma (in het interview uit het BTNG 2019 nr. 2-3) getuigt over zijn beginperiode in het (latere) CegeSoma in 1974 : “Ik ontmoette er collega’s die aan de kant van het linkse verzet stonden – zoals ikzelf - en anderen die nog op de schoot van Cyriel Verschaeve hadden gezeten  (…)”. De eerste directeur van het CegeSoma, Jean Van Welkenhuyzen, is een sprekend voorbeeld. Zijn missie om de erfenis van Leopold III te verdedigen leidde tot zware professionele fouten en zijn ontslag. Los hiervan, bewees de pioniersgeneratie toch dat het mogelijk was een evenwicht te vinden tussen een persoonlijke inzet en “zakelijk-objectieve” geschiedschrijving. De onderliggende motivatie was vaak het ‘ontkrachten van bestaande beeldvorming’. Maatschappelijk en wetenschappelijk engagement versterkten elkaar. 

an-40-belgique-occupee.jpg

Geen post-moderne twijfels?

occupation-repression-un-passe-qui-resiste-9782804016630_0.jpg

De postmoderne twijfel over het statuut van de historische waarheid dat na de jaren 1970 toesloeg, had opvallend genoeg nauwelijks impact op de Belgische WOII-geschiedschrijving. Belgische WOII-geschiedschrijving bleef traditioneel empirisch-beschrijvend, maar mede daardoor ook vol zelfvertrouwen over haar expertise en opdracht. Dat zelfvertrouwen ontpopte in de nieuwe generatie WOII-historici na 1991. Mensen als Luc Huyse en Bruno De Wever zagen zich ook als geëngageerde ‘public intellectuals’. Dat zien we onder meer in initiatieven als de Vlaamse ‘Voorwaartsgroep’ (1999-2002), de commissie ‘Transit-Mechelen’ (2004-2006) en boeken als Collaboratie in Vlaanderen (2002, o.l.v. Eric Corijn) en Het gewicht van het oorlogsverleden (2003, o.l.v. José Gotovitch en Chantal Kesteloot). Frans-Jos Verdoodt was één van de centrale historici in dat tijdsgewricht. Gevraagd (door Nele Defruyt in 2019 in het kader van haar MA-scriptie) of zijn engagement zijn ‘objectieve’ wetenschappelijke oordeel die jaren niet in de weg stond, antwoordt hij : “Ik vermoed dat dat niet zo is. Ik denk dat elke historicus uiteindelijk vertrekt vanuit een engagement. Zij dat familiaal bepaald, zij dat cultureel bepaald, zij dat sociaal bepaald. Het komt er alleen op aan dat die zijn engagement toetst aan de historische werkelijkheid. Ik heb dat ook gedaan.(…)  En ik ben ook daardoor tot een evolutie in mijn denken gekomen”.

De nuttige geschiedenis (1995-2019)

Allemaal goed en wel, maar intussen veranderden de spelregels fundamenteel na 1995. In België en daarbuiten, werd ‘herinnering’ een beleidsterm. De meest zichtbare spanning ontstond wanneer historici in de rol van ‘staatsexperten’ kropen.

Volgens mij belangrijker, was dat het statuut van kennis zelf veranderde. De menswetenschappen werden ingeschakeld in een logica van competitieve kenniseconomieën. Simpel gezegd : wetenschappelijk onderzoek betaald met belastinggeld moest renderen. In een opiniestuk van de liberale kopmannen Dewael, Somers en De Gucht (2007, ‘Verwerkt Verleden’, tegen de aanval van Bart De Wever op de excuses van toenmalig Antwerps burgemeester Patrick Janssens) stond een onthullende zin : “Is historisch onderzoek voor Bart De Wever enkel aanvaardbaar als het maatschappelijk neutraal en nutteloos is?”. ‘Neutrale wetenschap’ is op achteloze manier synoniem geworden met ‘nutteloos’. Nogal wat historici zelf steunden die trend. De gekende Nederlandse historicus Rutger Bregman schreef in 2012 : ‘“Nut”, dat verboden woordje binnen de geesteswetenschappen, zou weer op een voetstuk moeten komen te staan’. In een interview n.a.v. zijn emeritaat in 2017 stelde Emmanuel Gerard van de KU Leuven : “Ik behoor niet tot de historici die zich alleen maar uit belangstelling voor het verleden interesseren voor de geschiedenis” (Gerard, 2017). Mogelijk onbedoeld, sprak hier toch een zekere dédain uit voor historici die wél “uit belangstelling voor het verleden” met geschiedenis bezig zijn. We moesten weer bewijzen waarom historische kennis nuttig was. We zochten opnieuw oplossingen voor hedendaagse problemen in het verleden. WOII werd overal bijgesleurd. Wilden we weten wat we met IS-strijders en hun kinderen moesten doen, lag het antwoord bij de Oostfronters. Dat nam zeker toe toen de democratie na 2010 onder druk kwam. Dat de ‘geëngageerde historicus’ de democratie moet redden, is vandaag denk ik de norm. In een opiniestuk van 17 juni 2019 in De Standaard bijvoorbeeld (‘Wanneer de democratie traag leeggelepeld wordt’), reageerden Henri Heimans en Liesbet de Kock op de verkiezingsoverwinning van het Vlaams Belang. Ze schreven : “meer dan ooit moet het verleden in herinnering worden gebracht om de toekomst te behoeden voor herhaling”. Wellicht kijkt een meerderheid van mensen zo naar de taak van geschiedschrijving van WOII. Het lijkt wel een oproep aan historici : ‘neem uw verantwoordelijkheid’. 

Die visie is wellicht het meest duidelijk binnen het domein van de Holocaust. Velen vinden dat ‘afstandelijkheid’ hier niet enkel onmogelijk is, maar zelfs onwenselijk. Op een internationale studiedag in juli 2019 in Amsterdam, pleitte Wendy Lower (Clarement Mac-Kenna College) voor meer “activisme” van historici : “hoe groter je kennis, hoe groter je verantwoordelijkheid”. David Silberklang (Yad Vashem) ging nog veel verder. Hij pleitte ervoor om van de Holocauststudies een autonome discipline te maken, met de geschiedenis als ‘hulpwetenschap’. Holocauststudies heeft immers volgens hem bovenal een “morele opdracht in het heden”. Het streven naar ‘wetenschappelijke afstandelijkheid’ is zo enkel een obstakel : het houdt het gevaar in dat die morele opdracht vertraagd of tegengehouden wordt.

vergelijking.jpg
Oorspronkelijke legende : Humo, 6/9/2016

Afstandelijk engagement ?

Zoals gezegd: er bestaat niet één antwoord. In veel opzichten spreken we hier over een persoonlijke keuze. Wat mij persoonlijk betreft, ligt het engagement bij het verleden. Denken dat we activisten moeten zijn die extreemrechts moeten bestrijden, klinkt verleidelijk en ook best logisch. Maar het blijft vertrekken vanuit een logica waar het paard achter de kar gespannen wordt. Historici zijn enkel maatschappelijk relevant als ze éérst (opnieuw) wetenschappelijk relevant zijn. Begrip van het verleden is de enige bron van onze legitimiteit ; afstandelijkheid is de voorwaarde voor onze geloofwaardigheid. We moeten als academici geen links of rechts maatschappelijk project onderschrijven. Onze opdracht is om via die rationele afstandelijkheid bij te dragen tot de kwaliteit van een democratisch debat dat vandaag vergiftigd wordt door (bewust gecreëerde) polemiek en desinformatie. Julien Benda’s beroemde essay uit 1927 (‘le trahison des clercs’) lijkt me vandaag erg relevant. Benda verdedigde het “belangeloze denken” maar werd na 1945 soms beschouwd als een wereldvreemde intellectueel die verzaakte aan zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid. Voor mij is zijn ‘pleidooi voor rede’ net uitermate maatschappelijk geëngageerd. Het is vaak veilig en gemakkelijk om mee op een kar te springen. “Afstandelijke redelijkheid” is moeilijker aan te houden. Maar dat is volgens mij wel de urgente maatschappelijke opdracht van historici vandaag.

 

 

Bibliografie

Rutger Bregman, ‘Tijd dat geschiedkundigen weer gaan doen waarvoor ze nodig zijn: lessen trekken uit het verleden’, in  De Volkskrant, 3 October 2012.

Stijn Cools ‘Professoren, kom uit die ivoren toren’, in De Standaard , 4 mei 2018.

Eric Corijn (red.), Collaboratie in Vlaanderen. Vergeten en vergeven ?, Antwerpen, 2002.

Nele Defruyt, Hoe als historicus ‘Voorwaarts gaan maar niet vergeten’ ? Een analyse van de rol van de historicus in de casus ‘verzoening van het oorlogsverleden in Vlaanderen 1998-2002’, onuitgegeven Licentieverhandeling, promotor Nico Wouters, UGent, 2019.

Karel De Gucht, Patrick Dewael, Bart Somers, ‘’Verwerkt verleden? Waarom Patrick Janssens’ excuses niet gratuit zijn’, in De Standaard, 30 oktober 2007.

Olivier Dumoulin, Le rôle social de l’historien: De la chaire au prétoire, Paris, Albin Michel, 2003.

Gerard, E., (2017), “Natuurlijk is het onderzoek naar de bende van Nijvel gemanipuleerd”, in Knack, 8 november 2017, pp. 120-126 (citaat: p. 120).

José Gotovitch and Chantal Kesteloot (eds.), Het gewicht van het oorlogsverleden, Gent, 2003 (quote: p. 207).

Henri Heimans en Liesbet de Kock, ‘Wanneer de democratie traag leeggelepeld wordt’, in De Standaard, 17 juni 2019.

Niels Mathijssen, ‘Activisme en wetenschap gaan juist heel goed samen’, in De Standaard, 1 maart 2018.

Marc Reynebeau, ‘Ja, we hebben het gewusst (maar we vergeten het snel)’, in De Standaard, 26 augustus 2019.

Sum, Ngai-Ling and Jessop, Bob, ‘Competitiveness, the Knowledge-Based Economy and Higher Education’, Journal of the Knowledge Economy, 4(1), 2013, 24–44.

Els Witte, Voor vrede, democratie, wereldburgerschap en Europa : Belgische historici en de naoorlogse politiek-ideologische projecten (1944-1956), Kapellen, 2009.

 

Reageren?

U wordt geraakt door deze bijdrage of u wenst te reageren?

Uw opmerkingen, commentaren en ideeën zijn welkom via belgiumwwii@arch.be