Het statuut van politieke gevangene is een uitdrukking van nationale erkentelijkheid voor iedereen die door de Duitse bezetter tijdens de Tweede Wereldoorlog werd vervolgd. Het geldt niet enkel voor verzetsstrijders, maar ook voor de vele anderen die slachtoffer werden van de Duitse repressie. Na de bevrijding bestond er een brede consensus dat deze slachtoffers recht hadden op een vergoeding en erkenning, maar de uitvoering ervan bleek complex en politiek geladen.
Een fundamenteel meningsverschil verdeelde jarenlang het politieke debat. Sommigen vonden dat enkel weerstanders recht hadden op een bijzonder statuut, terwijl anderen pleitten voor een gelijke behandeling van alle slachtoffers, uit respect voor het gedeelde lijden. Zelfs de oprichting van de Nationale Confederatie van Politieke Gevangenen en Rechthebbenden (NCPGR) in april 1946 kon het dispuut niet snel beslechten. Hoewel de Kamer het wetsvoorstel goedkeurde, liep het vast in de Senaat, voornamelijk door amendementen van leden van de Parti Social Chrétien (PSC).
Binnen de PSC bleef verzet bestaan tegen het “criterium van lijden” als enige voorwaarde voor erkenning. Daarnaast weigerden sommigen te aanvaarden dat de NCPGR alleen de vertegenwoordigers van de politieke gevangenen mocht aanwijzen, omdat ze vreesden dat de organisatie te sterk beïnvloed was door communisten. De onenigheid leidde zelfs tot een tijdelijke splitsing binnen de NCPGR.
Uiteindelijk werd begin 1947 een compromis bereikt. De interne tegenstellingen binnen de NCPGR werden bijgelegd, zodat de organisatie effectief kon optreden als vertegenwoordiger van alle politieke gevangenen en hun rechthebbenden. Tegelijk werd beslist dat alle Belgische slachtoffers van de bezetter onder een algemeen statuut zouden vallen, maar dat slechts een deel van hen de titel van politieke gevangene zou krijgen.
De wet werd aangenomen op 26 februari 1947 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 16 maart 1947. Een aanvullend koninklijk besluit van 16 oktober 1954 coördineerde later de wettelijke bepalingen.
Voorwaarden voor het statuut
Het statuut was bedoeld voor personen die geen krijgsgevangene waren, maar wel door de vijand of diens medewerkers gevangen werden genomen of geïnterneerd. Om in aanmerking te komen, moest men aan minstens één van de volgende voorwaarden voldoen:
- een opsluiting van minstens dertig opeenvolgende dagen hebben ondergaan;
- slachtoffer zijn geweest van zware mishandelingen;
- ter dood veroordeeld of geëxecuteerd zijn door de vijand.
Binnen deze categorie hadden recht op de titel van politieke gevangene:
- Belgen wier arrestatie een rechtstreeks gevolg was van een vaderlandslievende en onbaatzuchtige daad;
- Belgen die gevangen werden omwille van hun politieke of filosofische overtuiging, of als gijzelaar;
- en zij die, ook zonder aan de formele voorwaarden te voldoen, tijdens hun gevangenschap blijk gaven van een geest van verzet tegen de bezetter.
Belgen die enkel wegens de raciale politiek van de vijand waren gedeporteerd, werden uitgesloten van deze titel.
Uitsluitingen en beperkingen
Van het statuut werden uitgesloten:
- personen die veroordeeld waren voor collaboratie;
- gewone misdadigers;
- zij die vrijwillig in Duitsland hadden gewerkt;
- gevangenen die zich onwaardig hadden gedragen tijdens hun opsluiting;
- en in de meeste gevallen buitenlanders.
Voor buitenlandse slachtoffers werd een aparte wet aangenomen op 5 februari 1947, later gewijzigd in 1954. Enkel buitenlanders die konden aantonen dat zij een vaderlandslievende en belangeloze activiteit tegen de vijand hadden uitgeoefend, kwamen in aanmerking. Buitenlanders die om raciale of politieke redenen werden gedeporteerd, konden in de praktijk dus nauwelijks aanspraak maken op dit statuut.
Voordelen en rechten
Het statuut bood aanzienlijke voordelen aan erkende politieke gevangenen en hun rechthebbenden. Wie minstens 90 dagen opgesloten had gezeten, ontving een vergoeding van 1.500 Belgische frank per 30 dagen opsluiting. Voor de rechthebbenden gold dezelfde regeling na het overlijden van de politieke gevangene.
Daarnaast was er een bijkomende schadevergoeding voor wie kinderen ten laste had op het moment van de arrestatie. Personen die ten minste zes maanden gevangen hadden gezeten, ontvingen bovendien een jaarlijkse uitkering van 3.000 frank per zes maanden gevangenschap, gedurende vier jaar.
Naast financiële steun voorzag het statuut ook in herstelpensioenen bij invaliditeit, gratis medische zorg, en de terugbetaling van materiële schade. Er waren ook eervolle onderscheidingen en andere symbolische erkenningen voorzien, die het morele belang van hun offer benadrukten. De voordelen golden eveneens voor de nabestaanden in geval van overlijden.
Procedure voor erkenning
De erkenningsprocedure verliep volgens een strikte administratieve procedure, vergelijkbaar met die van andere oorlogsslachtoffers. De aanvrager moest een dossier indienen bij het ministerie van Wederopbouw, met daarin bewijsmateriaal zoals Duitse arrestatie- of kampdocumenten, medische attesten, en getuigenissen van medegevangenen of verzetsleiders.
De dossiers werden onderzocht door een staatscommissaris, die zich baseerde op archieven over oorlogsslachtoffers en het advies van lokale commissies. Deze adviescommissies voor politieke gevangenen en hun rechthebbenden, opgericht bij ministerieel besluit van 29 augustus 1947, speelden een cruciale rol bij de beoordeling van aanvragen.
Op basis van de verzamelde gegevens formuleerde de commissaris een voorstel tot erkenning of afwijzing aan de bevoegde aannemingscommissie. Deze bestond uit negen leden: een magistraat, een vertegenwoordiger van het Ministerie van Financiën, de staatscommissaris-rapporteur, en zes leden voorgedragen door de NCPGR.
Tegen beslissingen kon zowel de aanvrager als de minister in beroep gaan bij een beroepscommissie. De oorspronkelijke termijn voor het indienen van dossiers liep tot 30 juni 1954, maar werd later heropend in 1999 en 2006 om laattijdige of postume aanvragen mogelijk te maken.
Statistische gegevens
Volgens cijfers van 1 januari 2018 werden in totaal 59.134 aanvragen ingediend. Daarvan werden 41.135 gunstig beoordeeld – een erkenningspercentage van ongeveer 70%.
De verschillen tussen Belgen en niet-Belgen zijn echter opvallend. Bij postume aanvragen werd slechts 14,5% van de Belgische dossiers afgewezen, tegenover maar liefst 92% van de buitenlandse. Bij dossiers van nog levende aanvragers bedroeg de afwijzingsgraad 28,8% voor Belgen, maar 76,5% voor niet-Belgen. In totaal kwam dit neer op een weigering van 24,5% voor Belgen en 82,8% voor buitenlanders.
Deze kloof toont duidelijk aan hoe zwaar de erkenningsvoorwaarden wogen voor niet-Belgen. Vooral buitenlandse Joden die werden gedeporteerd, konden zelden de vereiste bewijsstukken leveren om hun “vaderlandslievende activiteit” aan te tonen — een eis die tragisch genoeg velen van hen onmogelijk konden vervullen.





