België in oorlog / Artikels

Wetgevende verkiezingen (de) van 17 februari 1946

Auteur : Colignon Alain (Instelling : CegeSoma)

De Tweede Wereldoorlog heeft de Europeese maatschappij diepgaand veranderd. Gold dat ook voor de Belgische politiek na de Duitse capitulatie in mei 1945 die èn de ineenstorting van de verschillende vormen van fascisme èn de schijnbare triomf van het communisme (in zijn stalinistische versie) betekende? Met andere woorden, vielen de traditionele partijen terug op hun vooroorlogse positie of kon men integendeel belangrijke veranderingen of zelfs de doorbraak van nieuwe politieke stromingen vaststellen?

Vernieuwing gevreesd of gewenst?

Oorlog en bezetting hadden België flink door mekaar geschud. Maar de politieke en sociale elite zowel ter linker- als ter rechterzijde had zichzelf kunnen vrijwaren door niet actief in verzet te gaan tegen de vijand . De Kommunistische partij van België koos wel duidelijk voor het verzet wat leidde tot het verdwijnen van een goed deel van haar kaders. De traditionele milieus bleven evenwel niet inactief . Zij het te Londen, zij het in de (semi-) clandestiniteit bereidden zij de na-oorlog voor.

Wat de socialisten betrof, brak het clandestiene congres van Burnot-Rivière in september 1941 met de oude gewoontes van de Belgische Werkliedenpartij. De collectieve aansluitingen van weleer werden vervangen door individuele lidmaatschappen van de nieuwe “Belgische socialistische partij” in wording. In de christelijke familie was men teruggekomen op de illusies en verleidingen genre “Nieuwe Orde” en raakte men het na veel getwijfel en ampele overwegingen eens over een soort neo-unitaristische organisatie. Het zou ook gaan om individuele lidmaatschappen in twee partijvleugels o.l.v. een nationale voorzitter. In mei 1945 hergroepeerde het grootste deel van de christelijke familie zich met de zegen van de Kerk in een “Christelijke Volkspartij”/”Parti social chrétien”. Terwijl deze herstructurering volop bezig was, dook er aan haar linkerzijde een concurrent op die de erfenis van het verzet claimde en recruteerde in vooroorlogse christen-democratische milieus: de “Belgische democratische unie”/« Union démocratique belge » (BDU/UDB). Zij kwam enerzijds tot stand te Londen vanuit een vaag « travaillisme op zijn Belgisch » met socialisten en christenen , en anderzijds in bezet België in kringen rond het christen-democratische Bevrijdingsleger/Armée de la Libération. De toekomst van de BDU/UDB met haar jonge en dynamische kaderleden leek in deze winter 1945-1946 veelbelovend . Maar zij had vooral succes bij de Franstaligen en genoot niet van de steun van kardinaal Van Roey. En als “Partij van het Verzet” kreeg ze te maken met de Kommunistische partij van België die munt wilde slaan uit haar rol in de clandestiniteit. De oude Liberale partij dan weer, bekend voor haar Belgisch traditioneel patriottisme, leek een beetje buiten adem en ingehaald door de omstandigheden. Op de koop toe waren een aantal van haar vooroorlogse leiders tijdens de bezetting overleden .

Vele politieke waarnemers meenden dat vervroegde verkiezingen een flinke winst zouden opleveren voor de communisten. Uiteindelijk zouden zij pas doorgaan op 17 februari 1946. Toen hadden de communisten na hun regeringsdeelname al wat moeten inbinden en begon de Koningskwestie de politiek te doorkruisen.

529837-elections-psc.jpg
529925-elections-udb.jpg

Eerder continuïteit dan breuk

529758-verkiezingen-bsp.jpg
529782-elections-pcb.jpg

In vergelijking met haar vroegere resultaten – bij de verkiezingen van 2 april 1939 – liet de KPB een mooie vooruitgang optekenen. In die tijden van nog steeds enkelvoudig mannelijk stemrecht behaalde ze iets meer dan 300.000 stemmen en 23 volksvertegenwoordigers (+ 14), m.a.w. 12,69 % van de stemmen op nationaal vlak. Best een behoorlijke prestatie, maar de leiding had op meer gerekend. Het industriële Wallonië vormde weliswaar een bastion van de KP (184.309 stemmen of 21,48 % van de Waalse kiezers) maar zij werd er “slechts” een zeer verdienstelijke tweede na de socialisten met 36,34 % van de Waalse stemmen. In Brussel waren de resultaten van de KP niet slecht (17,40 %) maar in Vlaanderen kregen ze slechts 5,21 % van de stemmen. De jonge Belgische socialistische partij bracht het er goed van af ondanks de communistische concurrentie. Op nationaal vlak kreeg ze 31,57 % van de stemmen of 69 volksvertegenwoordigers (+5). Ze bleef eerste in Wallonië (36,7%) en te Brussel (35,4%). In Vlaanderen behaalde ze 31,6% van de stemmen en werd tweede na de christelijke familie…

Zoals te voorzien ging de Liberale partij duidelijk achteruit t.a.v. 1939. In 1946 stemden nog maar 8,93 % van de kiezers op haar en ze verloor niet minder dan 16 zetels op 33. Zo werd ze de “grootste kleine partij” terwijl ze in het interbellum zo lang “de kleinste van de grote partijen” was geweest. Maar de politieke waarnemers waren vooral verbaasd over de bijzonder goede prestatie van de PSC/CVP. Op nationaal vlak behaalde deze niet minder dan 1.006.293 stemmen en 92 zetels (+ 19), d.w.z. 42,54 % van het totaal aantal stemmen. In Vlaanderen veroverde ze met 56,24 % zelfs de absolute meerderheid, wat de cijfers in Wallonië (27,02 %) en Brussel (30,22 %) haast deed verbleken. Moest dat verbazen? Het verdwijnen van Rex en VNV na hun collaboratie met de vijand, zorgde ervoor dat een groot deel van de kiezers dat niet meer voor de christelijke familie had gestemd nu terugkeerde naar de PSC/CVP. Dit verklaart haar triomf. Naast dit christen-democratisch succes werd het voor de BDU/UDB een echte “flop”. Nochtans had men voor de verkiezingen op een tiental zetels gehoopt, maar het werden landelijk slechts 51.095 stemmen of 2,16 % van de kiezers. Dat betekende … één volksvertegenwoordiger op 202 (de ex-socialist Paul Lévy) , een beetje weinig om de nationale instellingen te kunnen herbronnen . De partij overleefde deze wanprestatie slechts kort en verdween de maanden nadien met stille trom.

De Tweede Wereldoorlog heeft dus minder weerslag gehad dan de Grote Oorlog. Er was wel de

communistische winst van 1946 maar die bleek een strovuur als gevolg van het ontbreken van een eigen middenveld (vakbonden, mutualiteiten, coöperatieven bleven grotendeels in handen van de socialisten) en de context van de beginnende Koude Oorlog.

Nog minstens twee generaties lang zouden de traditionele politieke families de Belgische samenleving die weldra verdeeld zou raken door de Koningskwestie in hun greep houden. Er zou moeten gewacht worden op de verkiezingen van 1965 om nieuwe politieke krachten te zien ontstaan die de overmacht van de traditionele partijen grondig en langdurig zouden aantasten.

screen-shot-2020-02-25-at-14-26-11-nl.jpg

Bibliografie

1885-1985. Du Parti Ouvrier Belge au Parti Socialiste. Mélanges publiés à l’occasion du centenaire du P.O.B., Bruxelles, Labor, 1985.

Wilfried Beerten, Le rêve travailliste en Belgique. Histoire de l’Union Démocratique Belge, 1944-1947, Bruxelles, Vie Ouvrière, 1990.

Martin Conway, The Sorrows of Belgium: Liberation and Political Reconstruction, 1944-1947, Oxford, Oxford University Press, 2012.

Pascal Delwit, "Des Golden Sixties électorales pour le Parti communiste de Belgique ?", in Cahiers marxistes, n°222 de juin-juillet 2002, pp. 25-40.

Els Witte, J.C. Burgelman en P. Stouthuysen. Tussen restauratie en vernieuwing: aspecten van de naoorlogse Belgische politiek (1944-50). Brussel,VUB-Press, 1989, pp. 13-56. 

Zie ook

75012 Artikels Bevrijding Colignon Alain