ara-photo-site-cegesoma.jpg
Zelf op onderzoek / Verzet / De bronnen

Verkreeg de verzetsman/vrouw het statuut van inlichtings- en actieagent?

Auteurs : Maerten Fabrice (Instelling : CegeSoma/Rijksarchief) - Willems Bart (Instelling : CegeSoma/Rijksarchief)

Om deze pagina te citeren

In oktober 1942 begon de Belgische regering in ballingschap in Londen te overwegen hoe ze verzetsmensen — zowel in bezet Europa als in Groot-Brittannië — konden erkennen en belonen. Dit leidde tot de besluitwet van 20 januari 1944, die het statuut van de inlichtings- en actieagent invoerde. Deze wet werd nadien nog aangevuld met nieuwe besluitwetten op 1 september 1944 en 16 februari 1946, maar de basisprincipes bleven overeind.

Doel en inhoud van het statuut

Het statuut was bedoeld voor personen die, rechtstreeks of onrechtstreeks, door de ministeries van Justitie of Landsverdediging waren belast met geheime opdrachten in vijandelijk of bevrijd gebied. Deze agenten werden gelijkgesteld met militairen aan het front en genoten dus van dezelfde voordelen, onder meer wat betreft pensioenen en schadevergoedingen bij verwonding, overlijden of gevangenschap. Stoffelijke schade door hun activiteiten werd eveneens door de staat vergoed. Verder kwamen agenten in aanmerking voor officiële onderscheidingen.

Een onderscheid werd wel gemaakt tussen volwaardige agenten en zogenaamde ‘helpers van de inlichtings- en actiediensten’. Die laatste categorie, ingevoerd bij de besluitwet van 1946, kreeg wel erkenning, maar zonder het recht op dezelfde financiële voordelen als volwaardige agenten. Buitenlanders konden het statuut ook verkrijgen, maar enkel als hun acties niet in hun thuisland erkend konden werden — en doorgaans zonder financiële rechten.

Organisatie en erkenningsprocedure

De verantwoordelijkheid voor de erkenning van inlichtings- en actie-agenten lag bij de Staatsveiligheid, die tussen januari 1945 en juli 1946 onder het ministerie van Landsverdediging ressorteerde, en daarna opnieuw onder Justitie kwam. De administratieve behandeling van de dossiers werd toevertrouwd aan de ‘Algemene Dienst van de Agenten van de Inlichtingen en Actie’ (ADAIA), die onder Landsverdediging bleef functioneren.

Een nota van 23 november 1945 van Paul Bihin, hoofd van de Staatsveiligheid, verduidelijkte de criteria voor erkenning. Enkel personen die op continue wijze leidinggevende of essentiële operationele taken hadden uitgevoerd, kwamen in aanmerking als volwaardig agent. Ook mensen die tijdens hun missie waren gearresteerd of omgekomen, konden postuum erkend worden. Helpers werden erkend op basis van occasionele maar waardevolle of cruciale bijdragen.

De procedure steunde sterk op de leiders van verzetsgroepen en inlichtingsnetwerken. Zij dienden de dossiers samen te stellen, inclusief identificatiefiches en samenvattingen van de activiteiten van de voorgedragen personen. Hun oordeel was bepalend voor de erkenning, de graad van de agent, en eventuele toekenning van een eervolle onderscheiding.

Sleutelfiguren en netwerken

Van de ruim honderd officieel erkende leiders van netwerken speelden een vijftiental een sleutelrol binnen omvangrijke en invloedrijke organisaties. Tot de belangrijkste netwerken behoren Bayard, Beaver-Baton, Clarence, Luc-Marc, Mill, Portemine (en zijn ontsnappingslijn Éva), Tégal, Tempo, Zéro en Zig. Op andere verzetsdomeinen hadden ook Groep G (sabotage), Socrates (steun aan werkweigeraars) en Comète (vluchtroutes) een aanzienlijke impact.

Erkenningscijfers en beoordeling

Tussen 1945 en 1954 werden tussen de 45.000 en 75.000 individuele erkenningsaanvragen ingediend. Uiteindelijk kregen slechts 18.716 personen het IAS-statuut toegekend. De meerderheid van hen werd erkend vanwege hun inzet binnen een inlichtingsnetwerk. Enkele honderden betroffen buitenlanders of Belgen die actief waren in Franse netwerken — en omgekeerd.

Van de erkende 18.716 personen verkregen slechts 5266 de volledige status van agent. De overige (13.450) werden erkend als helper. Ongeveer 10.000 anderen ontvingen enkel een dankbrief voor hun occasionele bijdrage, zonder verdere rechten.

De erkenning gold bovendien enkel voor de duur van de effectieve opdracht, en de hoogste graad werd doorgaans pas vanaf 1943 of 1944 toegekend — behalve wanneer iemand al eerder werd gearresteerd.

Voorzichtig erkenningsbeleid

Uit de geringe toekenningsgraad blijkt dat zowel de netwerkleiders als de Staatsveiligheid een strikt erkenningsbeleid voerden. Ze wilden de waarde van het statuut hoog houden en dus niet verwateren door te brede toekenning. Door terughoudend om te gaan met erkenningen werd het morele en symbolische belang van de toekenning bewaard — met respect voor de inzet van de erkende agenten en hun offers.

Bron

Alle individuele dossiers van personen die een erkenning hebben aangevraagd om het statuut van inlichtings- en actieagent te verkrijgen zijn ingevoerd in de databank Resistance in Belgium. De dossiers zijn raadpleegbaar in het CegeSoma.

Om deze pagina te citeren
Verkreeg de verzetsman/vrouw het statuut van inlichtings- en actieagent?
Auteurs : Maerten Fabrice (Instelling : CegeSoma/Rijksarchief) - Willems Bart (Instelling : CegeSoma/Rijksarchief)
https://www.belgiumwwii.be/nl/zelf-op-onderzoek/verzet/de-bronnen/verkreeg-de-verzetsman-vrouw-het-statuut-van-inlichtings-en-actieagent.html