2985
Instelling : CegeSoma
Collectie : Sipho
Auteursrecht : CegeSoma
Oorspronkelijke legende : Zonder originele legende
Webcaptie : Tijdens de oorlog is steenkool een zeer gegeerde grondstof. De federaties van de bedrijfstakken hebben het recht om Duitse bestellingen te aanvaarden of te weigeren. Onder grote druk worden de industriëlen soms verplicht tegemoet te komen aan de Duitse eisen.
In het hart van bezet België

Ondernemers voor de rechter

Thema - Collaboratie - Justitie

Tijdens de oorlog zitten ondernemers in een complexe situatie. De grens tussen productie en economische collaboratie is soms heel dun. Ontdek het parcours van twee ondernemers tijdens de bezetting en kom erachter hoe ze na de bevrijding zijn beoordeeld.

Auteur : Brulard Margot (Instelling : CegeSoma)

Twee bedrijven in het hart van de oorlog

De fabrikanten van confectiekleding van Binche

8 maart 1946. Het Krijgshof van Brussel heeft net uitspraak gedaan in de zaak van de “fabrikanten van confectiekleding van Binche”: industriëlen uit Binche worden “schuldig geoordeeld aan economische collaboratie met de vijand”. Deze veroordeling in beroep bevestigt de beslissing die in eerste aanleg werd genomen door de krijgsraad.

Het motief van de tenlastelegging is de productie door de confectiebedrijven van Binche van uniformen en gewatteerde vesten voor het Duitse leger.

13632.jpg
Instelling : CegeSoma
Auteursrecht : Rechten voorbehouden
Oorspronkelijke legende : Schone Kunsten. Duitse mode. Modeshow met mannequins
Webcaptie : Duitse modeshow in het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel in 1944. De Belgische modehuizen werden voor de oorlog sterk beïnvloed door de Franse mode. Tijdens de bezetting probeert de bezetter die invloed om te buigen naar de Duitse mode.

Hirsh & co

Tijdens de oorlog produceert nog een ander bedrijf vesten en bont bestemd voor het Duitse leger: het modehuis Hirsch & co. Het bedrijf dat aan de spits van de mode staat, moet tijdens de bezetting vele uitdagingen aangaan.

De familie Hirsch is van joodse afkomst en na de capitulatie van het Belgisch leger keert alleen de jongste zoon weer naar België. Hij verlaat op de duur het land in 1942 om aan de antisemitische maatregelen te ontsnappen. De onderneming, die door de bezetter als ‘joods’ wordt beoordeeld, wordt onder het bestuur van een Duitse commissaris geplaatst.

Tijdens de bezetting volgen twee Duitse commissarissen elkaar op bij Hirsch & co. Hun gedrag verschilt: de eerste, Wilhelm Pée, neemt de plaats in tot aan de zomer van 1942. Dan wijkt hij voor Karl Schneider, die een hardere houding aanneemt tegenover de onderneming.

De oorlog brengt ook zijn aandeel aan dagelijkse verwikkelingen met zich: vermindering van het personeel, schaarste aan basisproducten, gebrek aan kolen om zich te verwarmen enz.

Tenslotte worden in deze moeilijke tijden luxeproducten minder gevraagd en de klanten worden zeldzaam.

Ondanks deze moeilijkheden tracht het modehuis te overleven. Het blijft produceren, en wel voor de bezetter. Van tijd tot tijd kopen sommige Duitse officieren en functionarissen kleding voor hun echtgenotes. Daarbij krijgt het bedrijf vanaf 1941 een bestelling van vesten en bont die zich uitstrekt over verschillende oorlogsjaren. Dit order is bestemd voor een groothandel die aan de Wehrmacht levert. Via deze laatste krijgt het modehuis extra steenkolen.

Alles bijeen produceert het huis Hirsch gewatteerde vesten, net als de fabrikanten van confectiekleding van Binche. Maar in tegenstelling tot de ondernemingen uit Binche wordt de vertegenwoordiger van het modehuis niet veroordeeld na de oorlog. Dit verschil bewijst de moeilijkheid om de economische collaboratie te beoordelen. Waarom worden deze twee ondernemingen verschillend beoordeeld?

Je kan de bestraffing van deze collaboratie niet begrijpen zonder rekening te houden met de economische realiteit tijdens de bezetting: hoe wordt de industrie georganiseerd? Wie leidt het economisch leven?

Het economisch even tijdens de bezetting

Het comité-Galopin 

Van in het begin van de bezetting rijzen er vragen over economische zaken: moet je oortgaan met produceren? Indien wel, onder welke voorwaarden?

Het comité-Galopin, genoemd naar de gouverneur van de Generale Maatschappij Alexandre Galopin, geeft antwoord op deze vragen. Het comité is samengesteld uit vertegenwoordigers van de grote portefeuillemaatschappijen en banken en uit enkele industriëlen. Het stelt zich voor als de vertegenwoordiger van de Belgische regering op het gebied van de economie. Het verklaart dat het de opdracht heeft gekregen om de economische bedrijvigheid in het land voort te zetten en de grenzen ervan te bepalen. Na de oorlog heeft niemand ooit het bewijs van dit mandaat kunnen leveren. De kwestie van het mandaat en van het bestaan ervan vormt een belangrijk discussie-element in de bestraffing van de economische collaboratie.

Het comité gaat ijveren voor een herneming van de activiteiten van de Belgische nijverheden door de Galopindoctrine op te leggen als gedragslijn voor de industriëlen tijdens de oorlog.

31595
Instelling : CegeSoma
Auteursrecht : Rechten voorbehouden
Oorspronkelijke legende : Zonder originele legende
Webcaptie : Portret van Alexandre Galopin. Hij was gouverneur van de Generale Maatschappij van België, en stond aan de oorsprong van de Galopin leer, die de gedragslijnen uitzet waaraan de ondernemers tijdens de bezetting moeten voldoen. Hij werd in 1944 vermoord door een commando van De Vlag.

De Galopindoctrin

De Galopindoctrine geeft toestemming om de industriële activiteit te hernemen, zelfs indien dit productie voor de vijand betekent.

3002
Instelling : CegeSoma
Collectie : Sipho
Auteursrecht : CegeSoma
Oorspronkelijke legende : [Frei gegeben durch zensur]
Webcaptie : Industrieel bekken van Charleroi tijdens de bezetting. De zware industrie blijft produceren, maar moet de grenzen in acht nemen die de doctrine van Galopin oplegt, meer bepaald het verbod om goederen van militaire aard te produceren.

Drie argumenten, die voortkomen uit de ervaring van de eerste bezettingstijd (1914-1918), worden hiervoor aangehaald:

  • De bevoorrading verzekeren: België moet invoeren om zich te voeden en vanwege de blokkade is bevoorrading door neutrale landen onmogelijk. Handel met Duitsland wordt beschouwd als de enige oplossing: levensmiddelen invoeren in ruil voor industriële producten.
  • Wegvoeringen vermijden: produceren zorgt er voor dat arbeiders aan de slag blijven, dat een hoge werkloosheid en de wegvoering van Belgische arbeiders worden vermeden.
  • Het beletten van de ontmanteling van het productieapparaat door de bezetter.

De Galopindoctrine legt evenwel grenzen vast: de industriëlen moeten zich er zich toe verbinden geen wapens of munitie te produceren, de productie moet beperkt worden tot het strikt noodzakelijke en winstbejag mag niet de belangrijkste beweegreden zijn.

Al gauw zijn de vooropgestelde argumenten niet langer geldig. Zo bestaat er geen enkele twijfel dat Duitsland vanaf het einde van 1940 weigert levensmiddelen uit te wisselen tegen industriële goederen. Twee jaar later, in oktober 1942, wordt de verplichte tewerkstelling opgelegd en kan de wegvoering van Belgische arbeiders naar Duitsland niet meer worden vermeden. Alleen het laatste argument, het behoud van de productiewerktuigen, blijft van kracht. Dat argument wordt overigens verder ontwikkeld en versterkt in 1941: de economische elites willen niet alleen het Belgische productieapparaat behouden, maar ook de economische structuren van het land om competitief te zijn op de markten aan het einde van de oorlog.

2985
Instelling : CegeSoma
Collectie : Sipho
Auteursrecht : CegeSoma
Oorspronkelijke legende : Zonder originele legende
Webcaptie : Tijdens de oorlog is steenkool een zeer gegeerde grondstof. De federaties van de bedrijfstakken hebben het recht om Duitse bestellingen te aanvaarden of te weigeren. Onder grote druk worden de industriëlen soms verplicht tegemoet te komen aan de Duitse eisen.

De bestraffing van de economische collaboratie

Artikel 115 vooraan in de debatten

163793
Instelling : CegeSoma
Auteursrecht : Rechten voorbehouden
Oorspronkelijke legende : Ganshof Van Der Meersch. Krijgshof
Webcaptie : Zitting van het militair gerechtshof. De militaire rechtspraak is verantwoordelijk voor processen in verband met collaboratie. De eerste uitspraak komt van de krijgsraad. Het militair gerechtshof is het gerecht in hoger beroep. In tegenstelling met de krijgsraad, oordeelt zij uitsluitend op basis van bewijsstukken.

Na de oorlog wordt de vraag gesteld hoe de economische collaboratie zal worden beoordeeld. Er bestaan twee mogelijkheden: strikt oordelen volgens artikel 115 van het strafwetboek dat resoluut elke vorm van productie ten voordele van de vijand veroordeelt, ofwel de wetgeving aanpassen aan de Galopindoctrine.

Het is duidelijk dat de eerste mogelijkheid de veroordeling met zich zou brengen van ongeveer alle industriëlen. Het basisprincipe van de doctrine, namelijk de noodzaak van een beperkte economische collaboratie, wordt dus aanvaard en artikel 115 wordt aangepast.

Toch worden de grenzen die de doctrine stelt strikter geïnterpreteerd. Het concept van wapens of munitie wordt uitgebreid tot alle goederen waarvan het militaire karakter wordt erkend. Het gerecht is ook strenger voor wat te maken heeft met een sfeer van profitariaat. De ondernemer moet kunnen bewijzen dat hij niet heeft gehandeld uit winstbejag.

Het proces van de fabrikanten van confectiekleding van Binche

De fabrikanten van confectiekleding van Binche worden veroordeeld op basis van het aangepaste artikel 115. 

De confectiebedrijven van Binche hebben actief getracht om voet aan grond te krijgen in de markt van de Duitse uniformen en ze hebben zelfs een gevarieerd aanbod van producten voorgesteld.

Het proces van de inwoners van Binche zorgt in die tijd voor heel wat beroering. Het weerspiegelt de bestaande spanningen in de politieke wereld betreffende de vervolging van de economische collaboratie. De kwestie van de legitimiteit van het comité-Galopin staat vooraan in de debatten. 

jugement-confectionneurs-de-binche-1e-page
Instelling : CegeSoma
Oorspronkelijke legende : Zonder originele legende
Webcaptie : Uittreksel van het vonnis van de kledingfabrikanten van Binche, uitgesproken op de krijgsraad van Brussel, 8 maart 1946. Het vonnis preciseert de motieven tot inbeschuldigingstelling, gebaseerd op artikel 115 dat betrekking heeft op ‘alle leveringen gedaan aan de vijand en die voor deze laatste een directe of indirecte bijstand verleenden, nodig of nuttig voor de oorlog’.

De fabrikanten van confectiekleding, die in eerste aanleg zijn veroordeeld, gaan dan ook in beroep. De verdediging baseert haar betoog op de aanwezigheid van een mandaat. De bedrijven uit Binche hebben voor hun productie een borgstelling ontvangen van het comité-Galopin. Indien dit laatste, zoals het beweert, volmacht had van de Belgische regering, dan hebben de fabrikanten van confectiekleding alleen maar de richtlijnen van de bevoegde overheden toegepast.

De economische elites, die erg ongerust zijn over het gerecht, wijzen met kracht naar dit mandaat. Ze oefenen druk uit op de politieke wereld om tussenbeide te komen om de vervolging van de economische collaboratie af te zwakken. Auditeur-generaal Ganshof van der Meersch verzet zich formeel hiertegen: hij zal nooit het bestaan van een dergelijk mandaat erkennen want er bestaat geen enkel concreet materieel bewijs van. De strijd tussen de gerechtelijke instanties en het economische establishment is bitter.

In het geval van de fabrikanten van confectiekleding van Binche wordt de mogelijkheid van een mandaat erkend als een verzachtende omstandigheid, zonder dat dit de uiteindelijke veroordeling wijzigt.

163792
Instelling : CegeSoma
Auteursrecht : Rechten voorbehouden
Oorspronkelijke legende : Ganshof Van Der Meersch. Na de oorlog
Webcaptie : Als auditeur-generaal van het Krijgshof bepaalt, coördineert en uniformiseert Walter Ganshof Van der Meersch de politiek in verband met de repressie van de collaboratie na de bevrijding.

Een te streng oordeel?

In Binche vindt men dit vonnis streng. De bevolking vindt dat ze dank zij de confectiebazen voort heeft kunnen werken, dat ze dank zij hen ellende en wegvoeringen kon vermijden.

Het gerecht aanvaardt het feit dat het personeel goed werd behandeld als een verzachtende omstandigheid voor de belangrijkste producent uit Binche. Maar toch ziet men dat het gedrag van de fabrikanten van confectiekleding verschillend beoordeeld wordt door de gerechtelijke macht en door de arbeiders.

bso-97-j-bourgeois.jpg
Instelling : Kazerne Dossin
Auteursrecht : J. Bourgeois
Oorspronkelijke legende : zonder originele legende
Webcaptie : De verordening van 31 mei 1941 verplicht de Joodse handelaars om een affiche ‘Joods bedrijf’ in hun etalage te plaatsen.

Hirsch and Co gered

Het bedrijf Hirsch & Co wordt daarentegen niet verontrust door het gerecht, aan het einde van de oorlog. Verschillende hypotheses kunnen deze beslissing verklaren.

Ten eerste: het huis Hirsch produceert gewatteerde vesten voor een groothandel, het Bontwerkbedrijf J. De Mesmaeker, leverancier van de Wehrmacht. De bestelling zou van de groothandel komen en dus heeft de onderneming, in tegenstelling tot de fabrikanten van confectiekleding van Binche, niet actief getracht om een plaats in de markt te verwerven en heeft ze niet rechtstreeks voor de bezetter gewerkt.

Voorts kan de bijzondere toestand van de onderneming, namelijk een joodse onderneming onder Duits bestuur, een verzachtende omstandigheid vormen. De leiding van de onderneming valt onder de verantwoordelijkheid van een Duitse commissaris.

Tenslotte kan ook het aantal geproduceerde vesten een rol spelen. In Binche gaat het om een behoorlijke productie van uniformen (waarbij gewatteerde vesten). De fabrikanten van confectiekleding hebben actief geprobeerd voor de Duitsers te werken, door zich een plaats te zoeken in die nieuwe markt. Zoals het vonnis aantoont, produceren ze verschillende types van uniformen. Het vervaardigen van vesten vormde daarentegen in het huis Hirsch een klein deel van het werk. Het bedrijf heeft niet getracht zich te verrijken door in een nieuwe markt binnen te dringen. Over het algemeen heeft het geen voordeel gehaald uit de bezetting vermits de inkomsten gedurende de vijf oorlogsjaren lager liggen dan in de vijf jaren voor het conflict. De afwezigheid van de sfeer van profitariaat is een essentieel criterium voor het auditoraat-generaal.

Uit deze twee gevallen kan je afleiden dat de economische collaboratie en de veroordeling ervan een complex fenomeen vormen, omdat het gebaseerd is op criteria en interpretaties die verschillen volgens tijd en personen (gerechtelijke wereld, economische wereld, arbeiders enz.).

Bibliografie

Luyten, Dirk. Burgers Boven Elke Verdenking? Vervolging van Economische Collaboratie in België Na de Tweede Wereldoorlog. Brussel: VUB press, 1996.

Nefors, Patrick. Industriële “Collaboratie” in België: De Galopindoctrine, de Emissiebank En de Belgische Industrie. Leuven: Van Halewyck, 2000.

Pouillard, Véronique. “Les Archives de La Maison de Couture Hirsch & Cie.” In Les Archives Des Entreprises Sous l’Occupation : Conservation, Accessibilité et Apport., by Hervé Joly. Lille: IFRESI, 2005.

Pouillard, Véronique, and Ginette Kurgan-Van Hentenryk. Hirsch et Cie, Bruxelles, 1869-1962. Vol. 108. Bruxelles: Ed. de l’Université de Bruxelles, 2000.

Meer weten...

2998 Artikels Economische collaboratie Luyten Dirk
2984 Artikels Galopin doctrine Luyten Dirk
3002 Artikels Bedrijven Luyten Dirk