De eerste twee officiële statuten voor verzetsstrijders waren sterk militair van aard (Gewapende Weerstander en Inlichtings- en Actieagent). Ze kenden graden en voordelen toe die rechtstreeks uit het leger kwamen en bevoordeelden vooral leden van paramilitaire groepen zoals het Geheim Leger (GL). Die aanpak deed echter geen recht aan de vele mannen en vrouwen die zonder wapens actief waren in het burgerlijk verzet. De leiders van het Onafhankelijkheidsfront (OF) – de belangrijkste burgerlijke verzetsorganisatie – verzetten zich hiertegen en vroegen een eigen statuut dat ook de niet-gewapende strijd zou erkennen.
Hun eis kreeg steun van opeenvolgende ministers die bevoegd waren tot maart 1947: Adrien van den Branden de Reeth (partijloos) en Jean Terfve (communist), beiden tijdens de oorlog actief in het OF. Hun wetsvoorstel wilde alle verzetslieden erkennen die nog geen statuut hadden, ook al hadden hun clandestiene daden hen zwaar in gevaar gebracht.
Ontstaan en inhoud van het statuut
De besluitwet werd ondertekend op 24 december 1946 en verscheen in het Belgisch Staatsblad op 16 januari 1947. Ze werd later licht aangepast door de wet van 2 april 1958. Ook wie de verplichte tewerkstelling had geweigerd, kon onder dit statuut vallen. Toch maakte de wetgever een duidelijk onderscheid: burgerlijke weerstanders hadden actief verzet gepleegd, terwijl werkweigeraars enkel passief weerstand boden.
Om erkend te worden, moest men minstens één van de volgende activiteiten hebben uitgevoerd:
- Sabotagedaden in het kader van het eigen beroep;
- Het opstellen, drukken of verspreiden van de clandestiene pers;
- Deelname aan patriottische activiteiten die ingingen tegen de doelen van de bezetter;
- Hulpverlening aan mensen die door de vijand werden gezocht om politieke redenen.
In principe gold het statuut alleen voor Belgen, maar ook buitenlanders of staatlozen kwamen in aanmerking als ze in België actief waren geweest en geen gelijkaardig statuut in hun thuisland hadden. Uitgesloten waren collaborateurs, vrijwillige medewerkers van de vijand en veroordeelden voor gemeenrechtelijke misdrijven. Wie al als gewapende weerstander erkend was, kon enkel bijkomende burgerlijke daden laten erkennen.
Erkenningsprocedure
Wie het statuut wilde verkrijgen, moest zijn verzetsdaden kunnen bewijzen. Een belangrijk bewijsstuk kon het peterschap van een erkende burgerlijke verzetsbeweging zijn. Lidmaatschap van zo’n organisatie was dus geen vereiste, maar ook geen garantie op erkenning.
De dossiers werden beoordeeld door een controlecommissie, die iets anders was samengesteld dan bij de gewapende weerstanders. Ze bestond uit een magistraat, twee vertegenwoordigers van het ministerie van Wederopbouw en slechts twee afgevaardigden van verzetsorganisaties. Daardoor wogen de verzetsgroepen minder zwaar door in de beslissing.
De voordelen waren ook beperkter: burgerlijke weerstanders kregen geen militaire rangen of voordelen, enkel een medaille van burgerlijk verzet.
Politieke en organisatorische invloeden
Toen de besluitwet in januari 1947 verscheen, verwachtte het OF een golf aan erkenningen. Maar na de regeringsval in maart 1947 werd minister Terfve vervangen door de katholiek Robert De Man. Die bracht meteen wijzigingen aan: medewerkers van de sluikpers werden uit de wet gehaald om een eigen statuut te krijgen, op aandringen van de Nationale Unie van de Sluikpers (NUSP).
Daarnaast stimuleerde De Man de oprichting van de Nationale Confederatie der Burgerlijke Weerstanders van België, als tegengewicht voor het overwicht van het OF. Ook de socialisten mengden zich in het debat en kregen hun eigen organisatie erkend: de Socialistische Beweging van de Weerstand.
Praktische uitvoering
Kandidaten moesten hun dossier indienen bij het ministerie van Wederopbouw, met bewijzen zoals:
- een verklaring van een erkende burgerlijke verzetsgroep,
- getuigenissen van andere verzetsstrijders,
- eventueel het peterschap van een organisatie.
Het dossier werd vervolgens aangevuld met informatie van de overheid en doorgestuurd naar een staatscommissaris, die bijkomend onderzoek deed. Hij kon extra bewijs vragen, getuigen horen of politieonderzoek laten uitvoeren. De bewijslast lag volledig bij de aanvrager.
De commissaris stelde daarna een voorstel op tot erkenning of weigering en legde dat voor aan de controlecommissie, waarin hij zelf als rapporteur zetelde. Hij had dus een grote invloed op de eindbeslissing. Zowel de aanvrager als het ministerie kon in beroep gaan bij een aparte beroepscommissie.
Aanvragen konden worden ingediend tot 31 oktober 1956, al werden de termijnen tijdelijk heropend in 1999 en 2006.
Erkenningen
Volgens officiële cijfers van 1 januari 2018 werden 10.039 personen erkend als burgerlijke weerstander, tegenover 34.037 afwijzingen – een weigering van meer dan 77%. Dat percentage lag aanzienlijk hoger dan bij de gewapende weerstanders of de inlichtings- en actieagenten. Slechts 321 weerstanders (ongeveer 3%) kregen hun erkenning postuum.
Het lage aantal erkenningen had verschillende oorzaken. Veel aanvragers beseften niet hoe streng en complex de procedure was, of dat ze geen dubbele erkenning konden krijgen voor dezelfde feiten als gewapende weerstander. Velen gaven hun poging op of werden automatisch uitgesloten.
Daarnaast was het onderzoek bijzonder grondig. Commissarissen, vaak van katholieke afkomst, weigerden zich te laten beïnvloeden door ministers of verzetsorganisaties en traden streng op tegen twijfelachtige dossiers. Hun strikte houding maakte fraude vrijwel onmogelijk.
Bovendien begon de effectieve verwerking van de dossiers pas in november 1950, jaren na de bevrijding, toen de emotionele betrokkenheid van de publieke opinie al was afgezwakt. De periode van heroïsche getuigenissen had plaatsgemaakt voor afstandelijke administratie, wat het enthousiasme voor erkenning nog verder temperde.





