In december 1940 publiceerde het communistische sluikblad Liberté een kritisch artikel over de krant La Légia, met de veelzeggende titel: “Ce que La Légia ne dit pas”. De Luikse communisten hekelden in dit artikel de gecensureerde berichtgeving van La Légia. Volgens hen verzweeg de krant de mistoestanden in de voedselbevoorrading en de daaropvolgende stakingen en manifestaties. De redactie vermeed inderdaad stelselmatig om over deze onderwerpen te berichten. In mei 1941 schreef zij niets over de grote ‘staking der 100.000’; een staking die het industriële bekken van Luik zwaar trof. De staking werd uitvoerig beschreven en bejubeld in de communistische en socialistische sluikpers van Luik, maar La Légia bleef opvallend stil. Om deze stilte te begrijpen, is het zinvol even stil te staan bij de ontstaanscontext van deze gecensureerde krant.
Een nieuwe krant op de gestolen persen van "La Meuse"
Toen Duitse troepen op 12 mei 1940 Luik binnentrokken, troffen zij de verlaten redactielokalen en installaties van La Meuse aan. Directeur-generaal Jean de Thier was met een deel van het personeel naar Frankrijk gevlucht. Het resterende personeel richtte in samenwerking met de ‘Propaganda-Abteilung’, de propagandadienst van de bezetter, een nieuwe maatschappij op: La Légia. Henri Weemaes, linotypist en oudgediende, stond bekend om zijn toewijding aan de zaak en kreeg de leiding over het nieuwe bedrijf. De Duits-Roemeense Alfred Scholtz trad op als verbindingspersoon tussen het personeel en de Duitse propagandadienst. Hij had voor de oorlog meegewerkt aan Hebdo; een weekblad van La Meuse. Reeds op 25 mei 1940, drie dagen voor de capitulatie van het Belgische leger, verscheen het eerste nummer van La Légia op de gestolen persen van La Meuse.
Originele legende : La Légia, 25 mei 1940
Het monopolie op de geschreven pers in Luik
Originele legende : La Légia, 26 mei 1941
De nieuwe krant hield zich aan de strenge censuur van de bezetter en verwierf het monopolie op de geschreven pers in Luik. Het dagblad kende een hoge oplage die in augustus 1940 was opgeklommen tot 90.000 exemplaren. Dat is ongeveer het dubbele van de geschatte oplage van La Meuse in 1939. In de jaren nadien daalde de oplage in beperkte mate maar bereikte ze nog steeds een hoog gemiddelde van 75.000 exemplaren. De krant dankte haar succes aan haar monopoliepositie, haar aanvankelijk gematigde koers en de praktische informatie die ze bood over de voedselbevoorrading, krijgsgevangenen en andere inlichtingen. Hoewel de lokale inwoners het blad kochten om zich te informeren, werd er niet al te veel geloof gehecht aan de inhoud ervan. Zo werd de roep van verkopers “La Légiâaa!” vaak gevolgd door een tegenkreet: “Li ci qui vout des mintes vo-nnè-là !”, oftewel: “Voor wie leugens wil, hier zijn ze!”.
Inschakeling in de propagandamachine van de bezetter
Onmiddellijk na de Achttiendaagse Veldtocht probeerde de Duitse bezetter alle Belgische media onder haar controle te brengen. Omdat België onder een militair bestuur viel, was het informatiewezen een bevoegdheid van de ‘Wehrmachtpropaganda’ binnen de ‘Militärverwaltung’. Daarbinnen werd een specifieke afdeling opgericht voor alle journalistieke en culturele materies: de ‘Propaganda-Abteilung’. De redactie van La Légia hield zich aan de strenge censuur en kreeg weinig moeilijkheden met de bezetter. De krant werd ingeschakeld in de propagandamachine ten dienste van de bezetter en de ideologie van het nationaalsocialisme. Vanuit propagandistisch oogpunt zou het contraproductief geweest zijn om te berichten over succesvolle stakingen en manifestaties. In de maand mei 1941 verscheen in de krant dan ook niets over de manifestaties en stakingen die toen plaatsvonden in Luik. Opvallend genoeg berichtte de krant wel herhaaldelijk over stakingen die in het buitenland plaatsvonden. Dit was wellicht een strategie om de aandacht van de lezers af te leiden van de binnenlandse onrust naar het buitenland. In de Luikse sluikpers werd echter uitvoerig aandacht besteed aan de grote ‘staking der 100.000’. Communistische en socialistische militanten schreven uitgebreid over deze staking en riepen de arbeiders op om verder te strijden.
Originele legende : Le Drapeau rouge, 1 juni 1941
Beheer en redactie van de krant
Op 27 november 1941 richtte Alfred Scholtz, in samenwerking met René Letesson, afkomstig van de katholieke krant Gazette de Liège, de Société Liégeoise d’Éditions op. René-Jean Franssen, commercieel directeur en voormalig medewerker van La Meuse, sluit zich vervolgens aan bij het nieuwe bedrijf, waar echter geen plaats meer is voor Henri Weemaes, die nochtans al eerder bij het bedrijf werkzaam was. Vanwege zijn communistische overtuigingen werd hij door de bezetter aan de kant geschoven. Doorheen de bezetting deden zich enkele wijzigingen voor in het beheer en de redactie van de krant. Toen Alfred Scholtz als zogenaamde ‘Volksdeutsche’ de Duitse nationaliteit verkreeg, werd hij vervangen als beheerder door René-Jean Franssen. In juni 1943 werd Franssen echter vervangen door de Duitser Freerk Haye Hamkens, wiens ondergeschikte hij werd. Onder Hamkens kreeg de krant een meer uitgesproken pro-Duits karakter. De Duitse propagandadienst probeerde via Hamkens de winsten van het bedrijf door te sluizen naar de Duitse uitgeverij ‘Mundus’. Desalniettemin ontving Jean de Thier, die nog steeds in Zuid-Frankrijk verbleef, een maandelijks bedrag van 125.000 Frank als compensatie voor het gebruik van de installaties van La Meuse. Gedurende de hele bezetting zal René Letesson de functie van hoofdredacteur van La Légia waarnemen.
De ‘Waalse’ thema’s van "La Légia"
Collectie : Sipho
Auteursrechten : CegeSoma
Originele legende : De Waalse culturele dagen in Charleroi : 11 en 13 september 1942. De openingsplechtigheid. De ontvangst in het stadhuis van Charleroi : de toespraak van de heer Hubermont, hoofd van de Communauté culturelle wallonne. Rechts de heer Teugels, burgemeester van Charleroi. [15/9/1942] [Vrijgegeven door de censuur]
De aantrekkingskracht van La Légia vloeide deels voort uit haar aandacht voor ‘Waalse’ thema’s. Pierre Hubermont was naast politiek directeur van de krant ook voorzitter van de collaborerende beweging ‘Communauté Culturelle Wallonne’ (CCW). Onder zijn leiding besteedde de krant meer aandacht aan ‘Waalse’ aangelegenheden. Hij wilde het Waalse bewustzijn stimuleren en een toenadering tussen de Waalse en Duitse cultuur tot stand brengen. Hubermont maakte van de krant de officieuze spreekbuis van de CCW. De krant bleef daarnaast in dienst staan van de bezetter en het nationaalsocialisme. Op 1 mei 1941 verscheen naar aanleiding van de feestdag een artikel over manifestaties: “1er Mai de guerre”. Journalist René-Antoine Maréchal pleitte voor een toekomst zonder klassenstrijd. Hij droomde van een corporatieve samenwerking tussen patronaat en arbeiders binnen een nationaalsocialistisch kader. Zover zal het niet komen en vanaf maart 1944 begon de collaborerende toon af te zwakken door de verslechterende militaire toestand voor Duitsland. Daarentegen besteedde de krant tijdens de laatste maanden van haar verschijning steeds meer aandacht aan faits divers en gewelddadige gebeurtenissen, die in de provincie letterlijk de pan uit rezen. Het ging er ongetwijfeld om — al dan niet bewust — de lezers te tonen dat het verzet, dat met deze gebeurtenissen werd geassocieerd, een gevaar vormde voor de bevolking en met alle mogelijke middelen moest worden bestreden.
Bibliografie
Balace Francis, « Aspects de la résistance en province de Liège », in : Libération-Nos libertés retrouvées. La mémoire, Liège, Province de Liège, 1994, p. 75-101.
Colignon Alain, « Première Page, cinquième colonne », in : Francis Balace (dir.) Jours de Guerre. Tome 8 : Jours noirs, Bruxelles, Crédit communal de Belgique, 2002, p. 5-15.
De Bens Els, De Belgische dagbladpers onder Duitse censuur (1940-1944), Kapellen: De Nederlandsche Boekhandel, 1973, Boek De Bens.pdf.
Vande Winkel Roel, « Gelijkgeschakelde stemmen: officiële informatiemedia in bezet België 1940-1944 », in: Tegendruk. Geheime pers tijdens de Tweede Wereldoorlog, Gent/Brussel: AMSAB/CegeSoma, 2004, 49-65.





