België in oorlog / Artikels

Minister van Justitie - repressie

Thema - Collaboratie

Auteur : Luyten Dirk (Instelling : CegeSoma)

Bevoegdheden tijdens de naoorlogse repressie

De minister van Justitie is verantwoordelijk voor de gerechtelijke organisatie, is politiek verantwoordelijk voor het justitiële beleid en kan het openbaar ministerie mee aansturen. Door strafvermindering, genade en vrijlating heeft de minister als uitvoerende macht meer impact op de strafuitvoering dan op de eigenlijke bestraffing.

Auditeur-generaal Walter Ganshof van der Meersch is een sterke persoonlijkheid die op zijn onafhankelijkheid staat. Inmenging van de minister van Justitie in het vervolgingsbeleid, zoals na de Eerste Wereldoorlog, ziet hij als een inbreuk op zijn autonomie en op de scheiding der machten. Vooral voor de bestraffing van de economische collaboratie leidt dit tot spanningen. Van Marcel Grégoire (1907-1996), minister van Justitie van 1945 tot 1946, die zijn opvattingen deelt,  kan de auditeur-generaal dan weer meer politieke steun verwachten.

De ministers van Justitie zijn ook verantwoordelijk voor de gevangenissen, waar duizenden collaborateurs worden opgesloten na de bevrijding. Vanuit die bevoegdheid kan de minister zijn stempel drukken op het beleid.

Heropvoedingsbeleid

Daartoe gestimuleerd door de gevangenisadministratie zet de liberaal Albert Lilar (1900 - 1976), tijdens zijn eerste ambtsperiode als minister van Justitie van 1946 tot 1947, in op de heropvoeding van de opgesloten collaborateurs. Het accent verschuift van straffen naar heropvoeden en voorbereiden op re-integratie in de samenleving. Opgesloten collaborateurs krijgen cursussen waarin gepoogd wordt hen de Belgisch-democratische waarden te doen omarmen. Ze kunnen tevens  een beroepsopleiding volgen. Werken in de steenkoolmijnen, die kampen met een nijpend tekort aan arbeidskrachten terwijl de vraag naar steenkool piekt, en andere vormen van gevangenisarbeid worden gezien als boetedoening ten aanzien van de Belgische samenleving.  

Vrijlating, strafvermindering en genade

Lilar zet ook een politiek van vrijlating en strafvermindering op poten, zodat slechts weinig veroordeelde collaborateurs hun volledige straf uitzitten. Dit beleid beantwoordt aan een verschuiving van gevoeligheden in de publieke opinie: naarmate de afstand tot de oorlog groter wordt, is de vraag naar strenge en lange bestraffing minder uitgesproken.  Het verlichten van de druk op de overbevolkte gevangenissen speelt eveneens mee.

CVP-PSC minister Paul Struye (1869-1974) diept dit beleid verder uit in 1947-1948, maar moet aftreden na een interpellatie over de genadeverlening voor ter dood veroordeelde collaborateurs. Voor elke terdoodveroordeelde wordt het verzoek tot genade automatisch, van ambtswege, geformuleerd en vaak ook toegekend. Formeel is het staatshoofd bevoegd, maar in de praktijk beslist de minister van Justitie en is hij ook politiek verantwoordelijk. 

ara_voorlopige_invrijheidstelling_107223-modifiA
Instelling : ARA
Auteursrecht : Rechten Voorbehouden
Oorspronkelijke legende : Zonder originele legende

Bibliografie

Aerts, Koen. “Repressie Zonder Maat of Einde?” De Juridische Reïntegratie van Collaborateurs in de Belgische Staat Na de Tweede Wereldoorlog. Gent: Academia Press, 2014.

Grevers, Helen. Van Landverraders Tot Goede Vaderlanders : De Opsluiting van Collaborateurs in Nederland En België 1944-1950. Amsterdam: Balans, 2013.

Van Haecke, Lawrence. “Repressie En Epuratie. De Bescherming van de Uitwendige Veiligheid van de Staat Als Politiek-Juridisch Probleem Tijdens de Belgische Regimecrisis (1932-1948).” Ph.D. Thesis, Universiteit Gent, 2014.


Meer weten...

ara_voorlopige_invrijheidstelling_107223-modifiA Artikels Voorwaardelijke invrijheidstelling - repressie Aerts Koen
163793 Artikels Repressie Aerts Koen