België in oorlog / Persoonlijkheden

Pirenne Jacques

Auteur : Colignon Alain (Instelling : CegeSoma)

Jacques was de zoon van de grote historicus  Henri Pirenne en werd net als zijn broers geboren in de stad waar zijn vader doceerde, alhoewel de familiale en intellectuele wortels van het gezin in de provincie Luik lagen waarmee de Pirenne’s zich nog steeds erg verbonden voelden. Hij was jurist en historicus en vooral bekend om zijn banden met Leopold III

Een leven getekend door de Grote Oorlog

Jacques Pirenne werd op 26 juni 1891 te Gent geboren in een liberaal en frankofoon bourgeois-milieu. Half-Vlaams via zijn moeder en half-Waals via  zijn vader kon hij niet anders dan zich vooral  “Belg” voelen, een identiteit  die nog versterkt werd door de monumentale Geschiedenis van België  van zijn vader. Van 1909 tot 1914 studeerde hij rechten en geschiedenis aan Gentse universiteit waar zijn vader doceerde. Zijn doctorale verhandeling behandelde de financiële politiek van de hertogen van Bourgondië. Zijn beroepsloopbaan had  kunnen beginnen in  1914, maar toen brak de oorlog uit. Zijn oudere broer Pierre die zijn grote voorbeeld was, diende in de plaatselijke Burgerwacht en sneuvelde. Later werd zijn vader als hevig tegenstander  van de met de steun van de Duitse bezetter doorgevoerde vervlaamsing van de universiteit, weggevoerd naar Duitsland.  Het werden twee trauma’s die tot een ware germanofobie uitgroeiden. In oktober 1915, nadat hij te Neuilly-sur-Seine gehuwd was met Adrienne Van Lancker, werd hij opgeroepen voor de topografische dienst van het leger; vanaf 1917 tot de wapenstilstand diende hij in de 1e artilleriebrigade.

In november 1918 keerde hij terug naar het bevrijde Brussel waar hij vrouw en kinderen weervond (twee tijdens de oorlog geboren zonen, Pierre en Jacques-Henri). Hij ging helemaal mee in het kielzog van zijn uit gevangenschap teruggekomen vader die in een klimaat van verhit patriottisme meer dan ooit de kampioen van de burgerzin werd. Hij schreef zich in bij de balie van Brussel en deed zijn stage bij  Paul Hymans, een van de steunpilaren van het  liberalisme. Al vlug echter voelde hij zich meer aangetrokken door Clio dan door een carrière van advocaat. Geen wonder dat hij in  1921 aan de Université libre de Bruxelles de leerstoel rechtsgeschiedenis ging bekleden en dus koos voor een academische loopbaan waarbij hij op 17 maart 1922 benoemd werd tot docent aan de U.L.B.. Daar bleef het niet bij. Op verzoek van koning Albert en dankzij de tussenkomst van zijn vader werd hij in 1920  geschiedenisleraar van de hertog van Brabant , de troonsopvolger en … toekomstig  Leopold III. Het vormde een mooie maatschappelijke erkenning en het begin van een contact dat aan beide zijden een soort respectvolle vriendschap werd. In 1924 verzocht men hem echter de plaats te ruimen  : zijn politieke overtuiging werd van hogerhand als compromitterend beschouwd voor de verplichte neutraliteit van de Kroon op taalgebied.

ghent_university_1910_-_studentenvereniging_sociAtA_acadAmique_d-histoire.jpg
Instelling : http://www.beeldarchief.ugent.be/fotocollectie/studenten/ppages/ppage10.html
Oorspronkelijke legende : Ghent University 1910 Studentenvereniging. Société académique d'histoire
henry-pirenne-portrait.jpg
Instelling : http://nl.wikipedia.org/wiki/Afbeelding:Pirenne.gif
Oorspronkelijke legende : Henri Pirenne, s.d.

De strijd voor « Gand français »

le-soir-27-1-1923-p-1.png
Instelling : KBR
Oorspronkelijke legende : Le Soir 27 januari 1923, p.1.
archives-du-conseil-des-flandres.jpg

De oudstrijder Jacques Pirenne, een typisch product van de Franstalige Universiteit Gent en een trouw discipel van zijn vader, had zich helemaal gesmeten in wat hij beschouwde als de “goede zaak” van het unitaire België en van het eraan verbonden « Gand français ». In februari 1920 was hij lid geworden van het  Comité de Politique Nationale van  Pierre Nothomb en bij de wetgevende verkiezingen van november 1921 zelfs een leidende figuur in de "Parti National Populaire",  een emanatie van het Comité. De partij wilde komaf maken met  het traditionele tripartisme van de Belgische staat … maar behaalde geen enkele zetel. Eind 1922 werd hij secretaris-generaal van de “Ligue pour la Défense de l’Université de Gand et de la Liberté des Langues” die de actie voor « Gand français » coördineerde. Zijn vader was erevoorzitter van de liga die op haar hoogtepunt in 1923 een dertigduizend individuele leden telde en gesteund werd door meer dan 560 verenigingen. Het hoeft geen betoog dat het francofone militantisme van de liga (vanaf 1925 « Ligue pour l’Unité nationale – Bond voor de nationale eenheid ») in sommige Vlaamse middens steeds minder geapprecieerd werd. Vandaar de voorzichtigheid van een aantal hofkringen … en het einde van zijn rol als mentor–historicus bij de troonsopvolger. Dat belette niet dat Jacques Pirenne naast zijn academische loopbaan aan de ULB zeer militant bleef en verschillende niet mis te verstane publicaties schreef : La législation de l’administration allemande en Belgique (1925), Aperçu historique sur l’activisme (1929), Il faut doter le pays d’un statut linguistique (1929). Hij slaagde er zelfs onderhands in de archieven van de “Raad van Vlaanderen” te recupereren en uit te geven als Les archives du Conseil de Flandre (1928) , tot grote woede van de Vlaams-nationalisten. In 1930 werd de Universiteit Gent vernederlandst. Als tegenzet werd hij een van de drijvende krachten achter de Gentse « Ecole des Hautes Etudes » die de verdwijning van de Franstalige universiteit moest compenseren. Kortom, een “franskiljon” die door de opkomende Vlaamse elite uitgespuwd werd … 


Een academische … en een politieke loopbaan

Naast dit engagement zette Jacques Pirenne zijn academische loopbaan aan de U.L.B. discreet verder waarbij hij zich meer en meer oriënteerde naar de Grieks-Egyptische oudheid maar ook werkte aan grote historische syntheses. Hij werd door prof. Jean Capart aangemoedigd om het Egyptisch recht te bestuderen (hierin was hij een voorloper) terwijl hij in de jaren’30 ook meewerkte aan de oprichting van drie grote wetenschappelijke structuren : het instituut voor Oosterse en Slavische filologie en geschiedenis (1931), de "Société Jean Bodin pour l’histoire comparée des institutions" (1934) en de archieven voor de geschiedenis van het Oosters recht (1937). Tenslotte aanvaardde hij het ook voorzitterschap van de Koninklijke Belgische vereniging voor Oosterse studies maar gaf nog steeds de advocatuur niet helemaal op (dat zou pas in 1940 gebeuren).

Toch liet de politiek hem niet helemaal los. Hij had contacten bij het tijdschrift Le Flambeau en vlak voor de wetgevende verkiezingen van de lente 1936 achtte hij het ogenblik gekomen om er een ontwerp van staatshervorming voor te stellen waarin de uitvoerende macht versterkt werd om niet opportune ingrepen van de wetgevende macht te vermijden. Wel degelijk een ontwerp in de tijdsgeest! Maar hij ging nog verder en het scheelde niet veel of hij had na de rexistische triomf van mei 1936 van Rex-leider Degrelle een zetel als gecoöpteerd senator aanvaard. Slechts na lang beraad met zijn confraters en zijn liberale politieke vrienden zou hij dit vergiftigd geschenk niet aannemen. Maar zijn getwijfel raakte bekend in universitaire middens. Zijn imago als liberaal raakte aangetast en een deel van zijn studenten keerde hem voor een tijdje de rug toe, net als een aantal van zijn erg antifascistische collega’s. Die zouden zich tijdens de Koningskwestie herinneren dat hij zich in 1936 tegen het rexisme had aangeschurkt …

Maar zijn academische carrière leed niet echt onder deze zijsprong evenmin als zijn contacten met zijn oudleerling, nu Leopold III. Beter nog , vanaf de zomer 1939 werd de band tussen beiden aangehaald en de koning deed discreet beroep op de raad en de pen van zijn ex-mentor om hem te helpen een internationale vredesconferentie te organiseren op initiatief van de kleine Europese landen. Het resulteerde in een beperkte top van de landen van de zgn. Oslogroep te Brussel op 23 augustus 1939. Maar het bleek een slag in het water.  

le-pays-rAel-10-6-1936-p-4.png
Instelling : KBR
Oorspronkelijke legende : Le Pays réel, 19 juni 1936, p. 4

Een rustige oorlog ?

In mei 1940 verliet de familie Pirenne het land in oorlog voor achtereenvolgens Poitiers, Beynac (Dordogne) en Grenoble en ontsnapte zo aan de ergste gevolgen van de vlucht. Ook in de herfst keerde Jacques Pirenne niet terug naar België maar kreeg een leeropdracht aan de universiteit van Grenoble die hij slechts in de zomer van 1941 verliet voor de universiteit van Genève. In de rustige Zwitserse ballingschap, ver van de bloedige oorlog, had hij ruim gelegenheid om te werken aan een groot historisch fresco dat hij al een tijd in het hoofd had en dat vanaf 1943 in vier delen zou verschijnen als Les grands courants de l’histoire universelle. Toen het een jaar later duidelijk werd dat de oorlog op zijn einde liep, had hij nog de tijd om met zijn zoon Jacques-Henri een meer specifiek essay te publiceren dat waarschijnlijk moest dienen om het terrein voor een terugkeer naar België te effenen: La Belgique devant le nouvel équilibre du monde. Op 24 november 1944 kwam hij zonder problemen aan in het bevrijde Brussel en hernam zijn cursussen aan de U.L.B. zonder speciale tegenstand van zijn collega’s; hij werd zelfs voorzitter van de faculteit letteren en wijsbegeerte. Op dat ogenblik scheen zijn “rechtse verzoeking” uit het interbellum wel degelijk vergeten.

Een historicus-monarchist of een monarchist-historicus ?

Van in den beginne en net als zijn ouders was Jacques Pirenne een echt aanhanger van de monarchie wat waarschijnlijk nog aangewakkerd werd door zijn band met de jonge Leopold. Zijn afwezigheid uit het België van 1940-1944 had als gevolg dat hij niet met dezelfde scherpzinnigheid als de “Belgen uit het binnenland” de evoluties van de publieke opinie aanvoelde t.a.v. de persoon van de vorst en de daden die deze al dan niet stelde tijdens de achttiendaagse veldtocht en de bezetting. Voor hem maakte de Koning onverbrekelijk deel uit van een bepaald soort Belgische identiteit die hem dierbaar was.

Wat voor hem de doorslag gaf in zijn totale inzet voor de terugkeer van de koning op de troon met al diens bevoegdheden was waarschijnlijk dat graaf Capelle, privé-secretaris van de Koning en een van zijn oude contacten in de Parti National Populaire, hem documenten had overgemaakt m.b.t. de houding van de regering Pierlot tijdens de dramatische zomer van 1940. Daaruit bleek dat, uitzonderingen niet te na gesproken, de houding van de ministers niet erg heroïsch was geweest en dat de meesten bereid zouden zijn geweest officieel contact op te nemen met de bezetter om terug te keren naar het land. In Pirenne’s ogen was het enkel de Koning die door zijn ondoorzichtig stilzwijgen en door niet mee te spelen in dit spel een totale politieke capitulatie had voorkomen en - een beetje zijns ondanks - op langere termijn een officiële Belgische aanwezigheid in Londen had verzekerd …

Maar als gevolg van zijn weinig soepele persoonlijkheid en zijn niet erg discrete contacten met verschillende Nieuwe Orde-kopstukken tijdens de bezetting verloor Robert Capelle tijdens de winter 1944-1945 zijn geloofwaardigheid. Als goede liberaal daarentegen leek Jacques Pirenne een respectabel en aanbevelenswaardig man. Voor de koninklijke entourage lag het besluit voor de hand. Op 8 april 1945 verving hij graaf Capelle als secretaris van de Koning. In zijn filosofisch en professioneel milieu maakte dit ophef. De persoon van de vorst was er controversieel , zeker in vrijmetselaarskringen. Pirenne kreeg schrijfverbod bij de Flambeau en een aantal van zijn collega’s herinnerden nu maar al te graag aan zijn troebele rexistische neigingen in 1936…

Pirenne zette zich nu volledig in voor de verdediging van Leopold III die hij voorstelde als een vorst die absoluut trouw was aan de Grondwet en op de koop toe een goede democraat. Hij vreesde vooral dat men de vorst als Koning van één politieke familie (de “Partij Saksen-Coburg”…) zou beschouwen en alhoewel hij zich goed thuisvoelde in leopoldistische kringen wilde hij er toch de meest radicale en hevige elementen aan de kant schuiven. Ook was hij nu al voorstander van een “Volksraadpleging” om het wettelijke land ertoe te dwingen een terugkeer van Leopold III op de troon te aanvaarden. Hij poogde dus de lijnen met een aantal liberalen en socialisten open te houden om het imago van de vorst te verbeteren, maar door de negatieve houding van beide partijapparaten bleef het succes hiervan erg relatief. Wel bestond er in liberale kringen iets meer begrip voor zijn politiek, wellicht gevoed door de angst voor het “communistische gevaar” dat door de leopoldistische propaganda grondig werd uitgespeeld. Mettertijd en parallel met de radicalisering van de standpunten stond de christen-democratische familie steeds sceptischer t.a.v. de houdbaarheid van de principiële stellingnames van Pirenne, zeker door de problemen rond het volumineuze Witboek waaraan hij sedert 1945 werkte. Hij wilde als historicus een zo objectief mogelijk (?) een beeld geven van de gebeurtenissen van de periode 1936 - 1946 die leidden tot de “Koningskwestie”. Het werk raakte af in oktober 1945 en kreeg vanaf januari 1946 een oplage van 40.000 exemplaren, maar de verdeling ervan werd op de lange baan geschoven omdat bepaalde feiten in het boek meer verdeeldheid zaaiden dan wat anders …

Het werd dan voorgelegd aan een raadgevende commissie van negen “hoogwaardigheidsbekleders” . Maar de polemiek bleef duren. Jacques Pirenne gebruikte zijn laatste krachten voor het opstellen van een Verzameling van documenten samengesteld door het Secretariaat van de Koning met betrekking tot de politieke gebeurtenissen na de bevrijding, mei 1945-oktober 1949 (voorgesteld aan de pers op 8 december 1949). Tegelijkertijd poogde hij de invloed van Henri Weemaes, de privésecretaris van de vorst , te neutraliseren. Weemaes wilde ook in een goed blaadje staan bij de Koning maar suggereerde in tegenstelling tot Pirenne een grotere terughoudendheid t.a.v. de media en had ook meer vertrouwen in de Christelijke Volkspartij . Uiteindelijk raakte Pirenne het steeds meer oneens met Eerste minister Gaston Eyskens die hij te ”slap” vond en tot alle toegevingen bereid. Hij voelde niet goed aan dat de spanning opliep en hij bleek de resultaten van de “Volksraadpleging” en de scheiding tussen Noord en Zuid die er het gevolg van was (in zijn ogen betekende het een “grote overwinning” voor de Koning!) niet correct te kunnen inschatten. Evenmin voorzag hij dat het na de terugkeer van Leopold III naar België bijna tot een volksopstand zou komen. Eind juli 1950 koos de steeds gematigde Pirenne voor de meest extreme richting in het leopoldisme, en liet in paniek de verzoenende houding varen die hij vijf jaar lang had aangenomen. 

journal-j-pirenne.png
Instelling : ARA
Collectie : Archieven Jacques Pirenne
Oorspronkelijke legende : Journal de la Question royale/Dagboek van de Koningskwestie, deel III, maart 1950 - juli 1951

Opnieuw historicus

Ontgoocheld en psychologisch uitgeput gaf Jacques Pirenne er op 7 augustus 1950 de brui aan als secretaris van Leopold III, enkele dagen nadat deze een stap opzij deed.

Hij werd opnieuw full time historicus en publiceerde nog Histoire de la civilisation de l’Egypte ancienne (1961-1963) en La société hébraïque d’après la bible (1965).

Om hem voor zijn trouw te belonen verleende Boudewijn I hem de titel van graaf (2 september 1952). Hij overleed in zijn kasteeltje van Hierges, niet ver van Givet, op 7 september 1972. 

164067-jacques-pirenne.jpg
Instelling : Cegesoma
Oorspronkelijke legende : Jacques Pirenne, s.d.

Bibliografie

Archieven Jacques Pirenne en Journal de la Question royalehttps://search.arch.be/nl/zoeken-naar-archieven/zoekresultaat/ead/index/zoekterm/pirenne/eadid/BE-A0510_001106_803381_FRE

K. de CLERCK (ed.), Kroniek van de strijd voor de vernederlandsing van de Gentse universiteit, 1985

Vincent DUJARDIN, Michel DUMOULIN et Mark VAN DEN WIJNGAERT, Léopold III, Waterloo, André Versaille éditeur, 2013.

Georges-Henri DUMONT, notice Jacques Pirenne, in Nouvelle Biographie Nationale, Tome IV de 1997, pp. 307-312, https://www.academieroyale.be/....

John GILISSEN, « In Memoriam Jacques Pirenne”, in Recueil de la Société Jean Bodin, Tome XXXI de 1973.

Claire PREAUX, Notice sur Jacques Pirenne, in Annuaire, Académie royale des Sciences, des Lettres et des Beaux-Arts de Belgique, 1954, pp. 157-195.

Jacques PIRENNE, Mémoires et notes politiques, Verviers, André Gérard, 1975. 

Jan VELAERS, Herman VAN GOETHEM, Leopold III : de Koning, het Land, de oorlog, Tielt, Lannoo, 1994.




Meer weten

1523-rAfugiAs-belges-en-france.jpg Artikels Vlucht van 1940 (De): de instorting van een Staat? Colignon Alain
33962-lAopold-iii-manoeuvre-rAgion-de-namur.jpg Artikels Onafhankelijkheidspolitiek (van de) tot de terugkeer naar een strikte neutraliteit (1936-1939). Colignon Alain
33997-chars-camouflAs.jpg Artikels "schemervrede" (een) in de schaduw van de neutraliteit Colignon Alain
Pour citer cette page
Pirenne Jacques
Auteur : Colignon Alain (Instelling : CegeSoma)
https://www.belgiumwwii.be/nl/belgie-in-oorlog/persoonlijkheden/pirenne-jacques.html