België in oorlog / Persoonlijkheden

Leopold III

Auteur : Colignon Alain (Instelling : CegeSoma)

Leopold (1901-1983) werd geboren als eerste kind van prins Albert (1875-1934) en Elisabeth in Bayern ( huis Wittelsbach) (1876-1965). Hij kreeg nog een broer en een zus (Karel 1903-1983, later Regent van België en  Marie-José 1906-2001, later koningin van Italië). Leopold kreeg een bijzonder gedegen opvoeding, zeker nadat hij door de troonsbestijging van zijn vader kroonprins van België werd. Het glorierijke imago van koning Albert na de “Grote Oorlog” straalde af op de opgroeiende Leopold die als militair gevormd werd in een prestigieuze eenheid, het 12e Linieregiment. Het militaire leven sprak hem aan en hij zou zich voortaan spiegelen aan zijn vader zoals die in een zekere officiële propaganda voorgesteld werd , zelfs als dit wat de naïeve kant uitging.

De opvoeding van een prins

Na november 1918 deelde de kroonprins volop in de bijzonder grote populariteit van de koninklijke familie. Bij de vrouwelijke bevolking lag hij nog beter want hij was een aantrekkelijke man , type “ideale schoonzoon”. Zijn van hogerhand georchestreerde huwelijk met de sympathieke prinses Astrid van Zweden (1926) had natuurlijk een politiek aspect, maar was in de ogen van een breed publiek zeker een huwelijk uit liefde. Het koppel kreeg vlug drie kinderen (Joséphine-Charlotte, Boudewijn en Albert) wat zijn populariteit bij het volk nog deed toenemen. Tenslotte zou het onverwachte overlijden van koning Albert na een val tijdens een beklimming ( 17 februari 1934) de troonsbestijging van Leopold III een zeker tragisch aura geven.

De “Koning-ridder” was niet meer, maar de “Koning-officier » zoals hij in sommige kringen van het conservatieve establishment al genoemd werd , stond klaar voor de aflossing.


32298
Instelling : CegeSoma
Auteursrecht : Rechten voorbehouden
Oorspronkelijke legende : "Lors de la confirmation la princesse Joséphine-Charlotte : XII/1941."

Troonsbestijging in moeilijke omstandigheden

33962-lAopold-iii-manoeuvre-rAgion-de-namur.jpg
Instelling : CegeSoma
Collectie : Actualit
Auteursrecht : CegeSoma
Oorspronkelijke legende : Grote manoeuvres in de streek van Namen. Hier is Koning Leopold bij lancering van een brug, 21 oktober 1937
164013-lAopold-iii-et-spaak.jpg
Instelling : CegeSoma
Auteursrecht : CegeSoma
Oorspronkelijke legende : Twee mannen die een onafhankelijke beleid belichamen: Koning Leopold III en minister van buitenlandse zaken, Paul Henri Spaak.



Het was bekend dat de nieuwe vorst zijn taken – en wat hij zijn prerogatieven achtte - zeer ernstig opnam, met name op militair vlak. Na enig aftasten , werd hij zekerder van zichzelf en begon eerst mezzo voce , later rond 1936-1939 steeds openlijker de opmars van de « particratie » te betreuren die hij beschouwde als een ontregeling van het “traditionele”  parlementaire evenwicht. Hij wilde in de voetstappen van zijn vader treden maar werd meer dan deze beïnvloed door het conservatieve of “neo-conservatieve” establishment  (zijn privésecretaris graaf Capelle, zijn militaire raadgever generaal  Van Overstraeten, of nog de “nationale socialist”  Hendrik De Man…). De tragische dood van koningin Astrid in een auto-ongeval waarbij de koning stuurde (1935), deed geen goed aan zijn al niet heel optimistische karakter.  




De publieke figuur  Leopold III had zijn karakter, maar was zoals zijn gelijken ook het product van zijn sociologisch milieu en van zijn tijd. Toen zijn bewind begon, was de schijnbare triomf van de parlementaire democratieën in 1918-1919 lang voorbij. Deze stelden zich steeds aarzelender op t.a.v. de opkomst van autoritaire, fascistische of fasciserende staten op het Europese continent. De nieuwe koning der Belgen kon enkel de problemen vaststellen waarmee de achtereenvolgende politiek-economische crisissen  de democratieën opzadelden. Om een aantal ontwikkelingen tegen te gaan die hij op termijn funest achtte voor de Staat, wilde hij terugkeren naar de neutraliteit van voor 1914. Het “Frans-Belgisch militair akkoord” van  1920 werd opgezegd.  Dit nieuwe diplomatieke gegeven werd geofficialiseerd in een “koninklijke toespraak” van 14 oktober 1936 die door de hele regering werd goedgekeurd. Het liet toe een dubbelslag te slaan: België maakte zich los van  een geallieerd land dat klaarblijkelijk aan het aftakelen was  en de herbewapeningspolitiek kreeg voortaan de steun van een Vlaamse meerderheid die op dat gebied niet heel toeschietelijk was geweest. Belangrijker nog, het Franstalige establishment was stilletjes tevreden dat men nu verlost was van een Frankrijk dat de spanningen van het “Volksfront” slecht verwerkte. Erg vlug gleed België af van een “onafhankelijkheidspolitiek” die “enkel en alleen Belgisch” was  (1936) naar een “politiek van krachtdadige neutraliteit”  (1939).  Leopold III zette de kroon op het werk toen hij begin september bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog opperbevelhebber van  het leger werd.

10 mei 1940 en zijn dramatische gevolgen

Met de Duitse invasie van 10 mei 1940 was de speeltijd voorbij. Op 12 mei ging de koning er als opperbevelhebber van  het leger mee akkoord de instructies van de Franse generaal Billotte te volgen en zijn divisies in het noorden van de ontplooiing van de geallieerde Legergroep in te zetten op de “K-W stelling”.  Vanaf 15 mei rezen bij hem de eerste twijfels. Het front was doorbroken bij Sedan en ter hoogte van  Dinant. Hij liet Eerste minister Pierlot weten dat hij er niet gerust op was. Na elke nieuwe vergadering was de regering eerst verbaasd en dan steeds ongeruster over het enorme pessimisme van de vorst  en zijn  “entourage” (vooral generaal Van Overstraeten, maar ook  De Man en later de oude generaal  Galet) . Het kasteel van Wijnendale bij Torhout was op 25 mei vroeg in de ochtend het toneel van de definitieve clash. In tegenwoordigheid van de ministers  Pierlot en Spaak die van de hand gods geslagen waren, stelde de vorst vast dat “de zaak van de Geallieerden verloren is”, zeker op het continent en voor lange tijd en dat hij niet de bedoeling had zijn regering naar Frankrijk te volgen. Hij zou in het land blijven om te pogen “een minimum aan economisch leven te behouden” en, wie weet, borg te staan voor “een vorm van nationaal leven dat door het Reich zou toegelaten worden ”.  Deze stellingname vormde een duidelijke breuk met de politiek van de Belgische regering die solidair bleef met de Geallieerden. Op het terrein werd het gevolg ervan ten volle duidelijk door de onvoorwaardelijke overgave van het Belgisch leger ’s ochtends op 28 mei. De vorst die opperbevelhebber bleef (“Mijn lot zal het uwe zijn”), beschouwde zichzelf formeel gezien als krijgsgevangene.

Veracht door de enen, op handen gedragen door de anderen

De Belgische regering in Frankrijk geloofde haar ogen niet. Ook de Franse premier (président du Conseil Reynaud) reageerde heftig voor de radio en interpreteerde de Belgische capitulatie als een soort verraad van Leopold III. Op  31 mei 1940 vergaderden de Belgische  parlementairen te Limoges waar ze de onmogelijkheid tot regeren van de krijgsgevangen koning Leopold vaststelden.

Maar in bezet België en vooral in de “Flanders pocket” waar een concentratie van Belgische troepen onder Duits vuur lag, werd de vorst eerder als een redder beschouwd en was de opluchting algemeen. Voor nu werd  de “krijgsgevangen” Leopold III door de bezetter in verzekerde bewaring genomen in het kasteel van Laken. Er stonden  weliswaar  Duitsers op wacht, maar het was toch geen  Oflag en de koning mocht zelfs zijn entourage  en zijn privé-secretariaat behouden. In principe mocht de gevangen vorst niemand ontvangen. In feite waren er vele uitzonderingen. Vanaf juni klopten een hele reeks salonfähige politieke figuren discreet aan te Laken en werd er meer en meer gesproken over een “regering van de koning”;  zo kwamen Hendrik De Man, Albert Devèze, Albert-Edouard Janssen, Paul Tschoffen en graaf Maurice Lippens het terrein verkennen of hun diensten aanbieden.

Terwijl in het begin van de zomer ’40 steeds meer geruchten de ronde deden over een « triumviraat » als koninklijke mini-regering van algemeen  welzijn, was het  Hitler die koning Leopold de facto belette af te glijden naar een  staatscollaboratie zoals in Vichy. De Führer  gaf inderdaad op 14 juli 1940 te kennen dat een beslissing over  de geopolitieke toekomst van België niet aan de orde was ( “dilatorisch” te behandelen, heette het). Enkele dagen later, op 20 juli preciseerde hij nog: “Er moet belet worden dat de koning  om het even welke politieke actie onderneemt” . Van dan af had de idee van een “regering van de koning” in bezet België en dus van een - zelfs minimale - staatscollaboratie geen zin meer. Het werd nu een comfortabel nietsdoen wat de koning - ondanks zijn statuut als krijgsgevangene - niet belette  Hitler te ontmoeten om hem te polsen over het toekomstige statuut van België in nazi-Europa. Dit onderhoud op 19 november 1940 te Berchtesgaden liep op een sisser af en raakte pas in juli 1945 bij het grote publiek bekend.

164012
Instelling : CegeSoma
Auteursrecht : Rechten voorbehouden
Oorspronkelijke legende : Léopold III Berchtesgaden (+ Meissner)

Stilzwijgen en discrete politiek

Ondanks het aandringen van de regering Pierlot onthield de koning zich van enig openlijk protest n.a.v. de invoering van de verplichte tewerkstelling in Duitsland (oktober 1942). Hij nam er genoegen mee Hitler op  3 november 1942 een protestschrijven te sturen waarvan de bevolking totaal niets wist. Toen de jodenvervolging begon, bewaarde koning Leopold een absoluut stilzwijgen en stelde ook geen enkel gebaar van solidariteit jegens de hele of een deel van de joodse gemeenschap. Zijn eigen moeder, koningin Elisabeth, deed dat wel en slaagde erin acties te ondernemen die verschillende mensen  zouden redden van de wegvoering.

Stilzwijgen en discrete politiek, maar wat vooral zou doorwegen was zijn huwelijk met Lilian Baels, de dochter van de katholieke gouverneur van Westvlaanderen (en in mei 1940 afgezet voor postverlating).

Dit huwelijk vormde voor de bevolking het belangrijkste morele kantelpunt qua antileopoldisme. Er kwam inderdaad een grote barst in het beeld van de “Koning-krijgsgevangene”, zeker op het moment toen nog tienduizenden soldaten – vooral Walen – in Oflags en Stalags achter de prikkeldraad zaten. De verontwaardiging had nog erger kunnen zijn indien de bevolking geweten had dat het jonge koppel met toelating van de Führer een soort huwelijksreis van een maand in Oostenrijk kon maken … En, kers op de taart : anders dan de Belgische wetgeving bepaalt, werd de religieuze plechtigheid eerst gehouden, twee maanden voor de burgerlijke plechtigheid op 11 september 1941. Het  betekende dat de eerste burger van het land zonder veel bedenkingen de wet overtrad voor puur persoonlijke motieven.

In januari 1944 volgde nog een onhandig en laat initiatief: het opstellen van een inhoudelijk totaal inopportuun “politiek testament” toen iedereen voelde dat de bevrijding er zat aan te komen. Het bevatte geen enkel woord van steun voor de “Londense” ministers maar wel nog eens een afkeuring van de regering van mei 1940. Het was alsof die majesteitsschennis had gepleegd door niet akkoord te gaan met de capitulatie van het Belgisch leger en de breuk van zijn opperbevelhebber met de Geallieerden. Van de Engels-Amerikaanse geallieerden eiste het testament het herstel van de “algehele onafhankelijkheid van België”. Het eindigde met een oproep de “Vlaamse grieven” op te lossen, zonder over de Waalse te spreken.

lAopold-iii-carnet-personnel-apr.jpg

De betekenis van de Koningskwestie in het naoorlogse België

Onmiddellijk na de invasie werden de koning en zijn familie op  7 juni 1944 manu militari naar Duitland gevoerd. Die wegvoering deed de mythe van de “Koning-krijgsgevangene” even heropleven maar liet verder relatief onverschillig. Bij de bevrijding was de koning dus niet in het land. Zijn jongere broer prins Karel  werd op 20 september 1944 door de verenigde Kamers als regent van België aangewezen. Leopold III stond te trappelen van ongeduld in het slot Hirschstein in Sachsen waar hij de winter doorbracht, vooraleer hij nog steeds onder bewaking in de lente  ’45 naar Strobl bij Salzburg werd overgebracht. Daar werd hij op 7 mei 1945 bevrijd door het Amerikaans leger.

De “Koningskwestie” kon beginnen. Enkel de christendemocraten eisten dat de vorst zou terugkeren en al zijn bevoegdheden zou terugkrijgen. De anderen vroegen, met nuances, om troonsafstand. De nieuwe Eerste minister, Achille Van Acker, koos voor de middenweg: de terugkeer van de vorst, maar onder voorwaarden. Het zou gaan om   een zuivering van de entourage (had de prins geen slechte raadgevers gehad?), een duidelijke aanvaarding van het parlementaire systeem en de erkenning dat de regering  Pierlot te Londen goed werk had verricht.  Tijdens het eerste onderhoud tussen een afvaardiging van de regering en de koning te Strobl in mei 1945 veegde deze de voorwaarden van tafel. Hij was zich niet bewust van de toestand in België en wilde geen toegevingen doen. Door het moeilijke gesprek en de spanning kreeg hij zelfs een “licht hartfalen” . Zijn terugkeer werd uitgesteld. De zaak zat muurvast. Een nieuwe parlementaire meerderheid stemde op 19 juli 1945 een “grendelwet”. Deze behelsde dat de vorst zijn grondwettelijke bevoegdheden enkel opnieuw kon uitoefenen als de “onmogelijkheid tot regeren” door een parlementaire meerderheid in de verenigde Kamers zou opgeheven worden.

Uiteindelijk zou zich na een paar wetgevende verkiezingen (1946, 1949, 1950) een parlementaire meerderheid aftekenen ten gunste van het einde van de onmogelijkheid tot regeren.  Deze kwam er dan na een taaie inzet van de Christelijke Volkspartij voor een “Volksraadpleging” op  12 maart 1950. De breuklijnen in België werden duidelijk. Op 22 juli 1950 stond de koning terug in Laken. Quasi revolutionaire stakingen braken uit , vooral in het industriële Wallonië . Op het hoogtepunt was er de tragische schietpartij van Grâce-Berleur op 30 juli 1950. Vier antileopoldistische betogers werden door de Rijkswacht neergeschoten. De druk werd nog opgevoerd met de dreiging van een mars op Brussel en een eventuele samenroeping van een “Staten-generaal van Wallonië”; in de nacht van 31 juli op 1 augustus 1950 gaf Leopold III  toe en zette een “stap opzij” na  bemiddeling van de Nationale Confederatie van Politieke Gevangenen. Die bemiddeling kwam er na een laatste poging van Leopold III om een strijdregering te vormen met de « harden » uit zijn kamp. Hij aanvaardde nu een troonsafstand op termijn ten gunste van kroonprins Boudewijn op voorwaarde dat de drie traditionele politieke families beloofden een “nationale verzoening” na te streven … met behoud van de bevoegdheden van de Kroon.

 Van dan af verdween ex-koning  Leopold langzamerhand van het toneel maar hij hield nog wel bijna tien jaar vast aan zijn verblijf te Laken naast de jonge en breekbare koning Boudewijn. Achterdochtige zielen zagen in deze  aanwezigheid een vorm van niet echt toelaatbare « dyarchie ». Het huwelijk van Boudewijn en Fabiola maakte een einde aan deze aanwezigheid; Leopold III  verhuisde met zijn vrouw naar het domein Argenteuil. Hij bracht een deel van zijn tijd door met etnografische en wetenschappelijke reizen, was actief voor liefdadigheidsorganisaties en schreef zijn Mémoires.

Bibliografie

Jan VELAERS – Herman VAN GOETHEM, Léopold III. De Koning, het Land, de Oorlog, Tielt, Lannoo, 2001.

Jean STENGERS, Aux origines de la Question royale. Léopold III et le gouvernement. Les deux politiques belges de 1940, Paris-Gembloux, Duculot, 1980.

Jules GERARD-LIBOIS, et José GOTOVITCH, Léopold III. De l’an 40 à l’effacement, Bruxelles, CRISP, 1991.

Vincent DUJARDIN, "Léopold III en question sous l’occupation", dans Le Vif-L’Express du 8 mai 2015, pp. 108-113.

Dujardin, Vincent, Michel Dumoulin, and Mark Van den Wijngaert. Léopold III. Bruxelles: Complexe, 2001.


Zie ook

529448 Artikels Koningskwestie Debeuf Jasper
12577.jpg Artikels Nieuwe Orde De Wever Bruno
Pour citer cette page
Auteur : Colignon Alain (Instelling : CegeSoma)
Leopold III
https://www.belgiumwwii.be/nl/belgie-in-oorlog/persoonlijkheden/leopold-iii.html