België in oorlog / Artikels

Folklore of "Volkskunde"?

Auteur : Colignon Alain (Instelling : CegeSoma)

« Folklore » wordt aanzien als de wetenschap van de volksculturen. Het woord houdt ook verband met de blik van sommige intellectuele (of sociale) “elites” op bestaande of heruitgevonden volkstradities die met “feest” of met het “heilige” te maken hebben. Nog anderen menen dat folklore de « echte ziel van het Volk » blootlegt.

Uiteenlopende visies op folklore

Aan de vooravond van de oorlog werd de folklore aan de Belgische universiteiten niet echt erkend en ging het vooral om  regionale filologie. Daarbuiten was ze wel populair en een « neo-folklore » was al in volle opmars samen met een zich volop ontwikkelende toeristische industrie.

Overigens was op 30 september 1937 een «Nationale commissie voor Folklore » opgericht om het wetenschappelijk onderzoek op dit gebied te bevorderen. De tweetalige commissie kreeg een  Vlaamse sectie met als voorzitter de Gentenaar Paul De Keyzer en een Waalse sectie voorgezeten door de Brusselaar Albert Marinus, beiden vrijmetselaars. In Vlaanderen leek de folklore mee aan de grondslag te liggen van een Germaanse regionale identiteit tegenover een arrogante en allesoverheersende Romaanse/Franse identiteit. Zo hadden  Maurits De Meyer van het tijdschrift Volkskunde, de dialectoloog Edgard Blanquaert en de architect-ruralist Clements Trefois goede contacten met Duitse universitairen. In de academische middens van het Derde Rijk werd folklore voortaan echter opgevat als het geheel van voorouderlijke praktijken die een “organische” Bloed en Bodem-maatschappij weerspiegelden en incarneerden. Bij de Duitse universitairen legden Franz Steinbach van de Rheinische Forschungsgemeinschaft (Bonn) en later Franz Petri van het Deutsch-Niederländisches Institut (Keulen) contacten met hun Vlaamse of Nederlandse collega’s. Maar hun visie op  folklore was gestoeld op racialistische en völkische elementen.  

36495-folklore-A-binche.jpg
Instelling : CegeSoma
Collectie : Sipho
Oorspronkelijke legende : Carnaval in Binche, sd ( - 1939)

Folklore … in ganzenpas

165021-petri.jpg
Instelling : CegeSoma
Oorspronkelijke legende : Franz Petri
9990-folklore-A-ath.jpg
Instelling : CegeSoma
Collectie : Sipho
Oorspronkelijke legende : Floklore in Ath, sd (1940-1944)

Al snel na de Duitse invasie verdween de levende folklore « van bij ons » met zijn felle kleuren en volkse humor  als gevolg van de strenge ordehandhavingspolitiek en de nazi-orde.  Daarentegen verschenen steeds meer folkloristische studies in een bepaalde pers en in sommige wetenschappelijke publicaties die de tijdsgeest en vooral de nieuwe meesters dienden. Franz Petri kreeg de gelegenheid zijn talenten te tonen; hij werd  o.l.v.  Franz Thedieck Kulturreferent bij het Duitse militaire bestuur in het kader van de afdeling  « Volk und Kultur ». Als auteur van een uitgebreide (en erg vooringenomen) studie over « Germaans erfgoed in  Wallonië en Noordfrankrijk » (1937) die poogde te bewijzen dat de bevolking aldaar duidelijk Germaans-noordse wortels had, werd hij in de ogen van velen een pangermanistische en nazi-propagandist. Met W. Reese organiseerde hij het verblijf van Duitse gastprofessoren aan Belgische universiteiten en vice versa, verschafte hij studiebeurzen aan “verdienstelijke” onderzoekers en verdeelde  hij gelden aan sympathiserende tijdschriften via het Deutsches Institut te Brussel. In België liep niet iedereen warm voor de theorieën van  Petri. De «Nationale commissie voor Folklore » was er aan het begin van de bezetting mee gestopt en zou slechts heropstarten in 1947. In het Vlaamse landsgedeelte daarentegen bleven vele culturele verenigingen de volkstradities  verder bestuderen en illustreren en dit  in het kader van een accomodatiepolitiek ofwel om een soort “Germaans-noordse” folklore te lanceren. Deze laatste tendens vormde slechts een minderheid, maar ze slaagde erin een paar bekende personaliteiten voor haar kar te spannen en zich publiek bekend te maken. De meeste etnografische tijdschriften bleven verschijnen (Heemkunde, Volkskunde, Oostvlaamse Zanten, …) . Op 17 augustus 1940 werd een Werkgemeeschap voor Volkse Cultuur – Volk en Kunst opgericht. Ze groepeerde veel verenigingen voor volkscultuur met een min of meer flamingantisch karakter zoals het bekende Vlaams Instituut voor Volksdans en Volksmuziek – VIVO. Een en ander gebeurde onder het goedkeurende oog en met de steun van het Duitse militaire bestuur. Tegelijkertijd zag Paul De Keyzer zich verplicht ontslag te nemen als voorzitter van zijn Bond der Oost-Vlaamse Folkloristen, maar hij publiceerde verder in een aantal gecensureeerde tijdschriften zoals het toonaangevende Volkskunde (met vanaf 1942 een Nederlandse  SS’er in de redactie) en aarzelde niet te schrijven voor de uitgeverij De Burcht die openlijk genazificeerd was. Na de oorlog zou hij zijn academische activiteiten bij de belgicistische «Nationale commissie voor Folklore » hernemen en zijn wat dubbelzinnig verleden doen  vergeten.

De SS bemoeit er zich mee

Eind 1942 begon de SS die steeds machtiger werd de folkore-milieus te infiltreren en te ondergraven via de Germaansche Werkgemeenschap Vlaanderen, achter de schermen geleid  door Dr Hans Schneider van Ahnenerbe van de SS. Roger Soenen van de Algemeene SS was voorzitter, gesteund door DeVlag en met een aantal collaborerende  intellectuelen. De Werkgemeenschap communiceerde via het Duits-Nederlands-Vlaams tijdschrift Hamer (…van Thor), maar ook via meer “traditionele” culturele publicaties als Volk en Cultuur (VNV) of Westland (DeVlag). Dat wereldje zorgde voor veel foklore-publicaties die natuurlijk de tijdsgeest weerspiegelden.

Langs Franstalige kant ging het er discreter aan toe. De Luikse filologische en dialectale middens zwegen in alle talen. Voor de oorlog waren zij zeer kritisch geweest voor Petri. Het was duidelijk dat zij zich wilden laten vergeten om represailles te vermijden… Ook de belangrijkste Waalse etnografische tijdschriften (Les Enquêtes du musée de la Vie wallonne, La Vie wallonne, le Guetteur wallon, le Folklore brabançon, …) staakten hun verschijning. Een aantal onderzoekers gingen bij het verzet, enkelen lieten er het leven (Georges Laport, Albert Libiez, Henri Bragard, Jean Hollenfeltz, …). De intellectuele collaboratie bleef hier zeer zwakjes. Geen enkele belangrijke folklorist werd lid van de  « Communauté Culturelle Wallonne » (1941-1944). Enkel een paar minder bekende figuren (Emile Dantinne, Alexis Collard, …) konden niet weerstaan aan het schrijven en publiceerden in het maandblad  Wallonie van de Communauté Culturelle Wallonne. of in andere gecensureerde publicaties met regionalistische accenten zoals Notre Terre Wallonne, Chez Nous of La Région. Van de serieuze dialectspecialisten schreef enkel Joseph Mignolet, trouwens oud-senator voor Rex, voor het tijdschrift Wallonie. Een paar gelegenheidsfolkloristen die niet echt Walen waren (Léon Van Huffel, Franz Briel) leverden folkloriserend proza voor het Bulletin de l’Ouest dat afhing van het Ahnenerbe van de SS. Meestal waren de artikels slechts vertalingen van Duitse, Nederlandse of Vlaamse auteurs behept met de Blut-und-Boden-Geist. Gemeenschappelijk kenmerk van die artikels was dat ze door haast niemand gelezen werden. 

hamer.jpg
Instelling : CegeSoma
Oorspronkelijke legende : Hamer, maart 1943

Twee maten en twee gewichten.

Na de bevrijdingkregen de Vlaamse folkloristen die in de collaboratie beland waren en goede advokaten vonden slechts lichte straffen. Het gerecht was strenger voor hun Waalse collega’s die over een minder uitgebreid adressenboekje beschikten.   

Bibliografie

Alain Colignon, Floklore et neo-folklore en Wallonie (19e et 20e siècles), Liège, Musée de la Vie wallonne/Etablissement d'utilité publique, 2014. 

Hervé La Barthe & Georges Renoy, Het grote feestenboek : folklore in België, Zaventem : Elsevier Sequoia, 1971.

Zie ook

12260 Artikels Communauté Culturelle Wallonne Devillez Virginie
130093 Artikels Cultuur Beyen Marnix
163793 Artikels Repressie Aerts Koen