Debatten

Frantz Van Dorpe en ‘de plicht’ van iedere Dinaso - Kanttekeningen bij een verzetsman

Thema - Collaboratie

Auteur : Vandenbroucke Dieter

foto-d-vandenbroucke.jpg

Dieter Vandenbroucke

Literatuurhistoricus. In 2014 verscheen de handelseditie van zijn proefschrift: "Dansen op een vulkaan. Victor J. Brunclair: schrijver in een bewogen tijd" (De Bezige Bij), dat in 2016 met de driejaarlijkse Pil-van Gastelprijs voor geschiedenis werd bekroond.

‘Ondernemer, politicus en zo veel meer’, onder die kop vindt op 12 juni 2021 in Sint-Niklaas een studiedag over Frantz Van Dorpe (1906-1990) plaats. In afwachting hiervan verschenen twee publicaties, die alvast meer duidelijkheid brengen over de politieke activiteiten van Van Dorpe in de periode voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Dieter Vandenbroucke las beide boeken, vroeg zich af waarom Van Dorpe’s antisemitisme nauwelijks aan bod komt en trok vervolgens zelf op onderzoek uit. 

Thematische lacune

Frantz Van Dorpe was een van de meest actieve en invloedrijke figuren van het in 1931 door Joris Van Severen gestichte Verbond van Dietsche Nationaal Solidaristen (Verdinaso). Hij schreef bijna wekelijks voor het officiële orgaan Hier Dinaso!, deed de redactie voor de Franstalige Dinaso-bladen, hield redevoeringen tijdens de belangrijkste propagandavergaderingen en schopte het tot gouwleider voor de provincie Brabant en tot politiek instructeur bij de Dinaso Militanten Orde (DMO). Wat zijn geval intrigerend maakt is dat Van Dorpe – in tegenstelling tot vele van zijn fascistische Verdinaso-medestanders – als gerespecteerd weerstander uit de Tweede Wereldoorlog kwam. Na de dood van Van Severen op 20 mei 1940 was hij nog bereid om samen te werken met de Duitse bezetter maar begin 1941 werd Van Dorpe door de nieuwe Verdinaso-leiding uitgesloten. Kort daarna werd hij actief in het gewapend verzet. Hoewel in het naoorlogse katholieke Vlaanderen een Nieuwe Orde-gezind verleden sowieso geen belemmering vormde voor een succesvolle loopbaan, kwam Van Dorpe’s Verdinaso-engagement in de schaduw te staan van zijn verzetsverleden. Hij werd een succesvol textielindustrieel, secretaris-generaal van het Belgisch Benelux-comité en van 1965 tot 1976 CVP-burgemeester van de stad Sint-Niklaas.

Het omvangrijke archief van Van Dorpe, dat onlangs aan de stad Sint-Niklaas werd verkocht, vormt de basis van de twee boeken: Hoogmoed. Van Verdinaso tot verzet van Vincent Stuer (Borgerhoff & Lamberigts) en Frantz Van Dorpe en het Verdinaso van Jan Creve (eigen beheer). De uitgaven rolden bijna gelijktijdig van de persen en gaan vooraf aan een colloquium dat op 12 juni in de Collegekerk van Sint-Niklaas staat gepland. Wie beide publicaties naast elkaar legt, merkt onmiddellijk dat het hier om twee erg verschillende boeken gaat. Stuer is al jaren actief achter de schermen van het politiek toneel, onder meer als speechwriter van Europees commissievoorzitter José Manuel Barroso. Behalve een bekroonde theatermonoloog schreef hij over nationalisme en de Europese Unie. Creve van zijn kant heeft een verleden binnen het militante Vlaams-nationalisme, is leerkracht geschiedenis en publiceerde eerder over het Verdinaso en het dorp Doel. De uiteenlopende achtergrond van beide auteurs weerspiegelt zich ook in de benadering van hun onderwerp. Stuer kiest voor literaire non-fictie en neemt de lezer op sleeptouw door het België van de jaren dertig, de oorlog en het moeizame herstel. En het moet worden gezegd: zijn met panache geschreven en spannend opgebouwd boek biedt de lezer een vorm van inleving, die academisch geschoolde historici zelden bereiken. De hoofdmoot wordt gevormd door Van Dorpe’s rol in het verzet en de politieke relevantie van zijn parcours tot en met de koningskwestie, toen hij zich manifesteerde als een radicaal aanhanger van Leopold III. Creve’s aanpak lijkt op het eerste gezicht bescheidener. Hij heeft geen literaire ambities en stelt zich tot doel Van Dorpe’s aandeel in het Verdinaso in kaart te brengen. Dat doet hij met verve. De ontsluiting van de vele bronnen en zijn methodologische aanpak is zonder meer degelijk. Zijn monografie bevat daarenboven tal van niet eerder gepubliceerde foto’s en documenten en een uitgebreide bibliografie.

Zowel Stuer als Creve brengen een fascinerende figuur voor het voetlicht en hun boeken verdienen het te worden gelezen. Niet alleen vullen ze elkaar meermaals aan, het stijlverschil maakt ook de voor- en nadelen van verschillende vormen van geschiedschrijving aanschouwelijk. Toch komen de auteurs meermaals tot andere inzichten en af en toe spreken ze elkaar zelfs tegen. In deze tekst ga ik daar slechts zijdelings op in. Wat mij opviel is dat Van Dorpe’s antisemitisme geen of nauwelijks deel uitmaakte van hun beider onderzoek. Dat frappeerde me. Tenslotte gaat het hier over een van de intellectuele vaandeldragers van een beweging die als ‘de heraut’ van het Vlaams-nationalistische antisemitisme staat geboekstaafd. Mocht ik vijfenzeventig jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog en dertig jaar na Van Dorpe’s dood niet meer klaarheid verwachten?

Na lectuur van een vroege versie van zijn manuscript had ik Stuer reeds op die thematische lacune attent gemaakt. Maar ook in zijn finale tekst blijft informatie over Van Dorpe’s antisemitisme beperkt tot een voor zijn doen wel erg hoffelijke briefwisseling met een priester over christendom en antisemitisme. Daarnaast staan in Hoogmoed enkele algemene beschouwingen over antisemitisme en het Verdinaso, gevolgd door de vaststelling dat Emiel Thiers – die Van Severen in 1940 was opgevolgd – het antisemitisme van het Verdinaso tegenover de bezetter ‘flink in de verf’ had gezet. Problematisch wordt het wanneer Stuer het antisemitisme van het Verdinaso afzwakt op basis van argumenten die ook door apologeten werden gehanteerd: ‘Door de Nieuwe Marsrichting was de ideologie minder ‘volks’ geworden, dus werd ook het antisemitisme minder in termen van volk en ras beschreven. En ook tegenover Joden werd de toon in Hier Dinaso! iets minder scherp, nadat Willem Melis  het blad onder handen nam.’ Uit Lieven Saerens’ Vreemdelingen in een wereldstad (p. 289, 296-297 en 385) en uit mijn eigen onderzoek blijkt echter dat de racistische terminologie na de Nieuwe Marsrichting allesbehalve tot het verleden behoorde. Het redacteurschap van Melis veranderde daar niets aan. Overigens was dat ook Creve niet ontgaan die in de Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging (1998) al schreef dat onder Melis de antisemitische houding van het blad niet werd afgezwakt.

Mijn hoop in Creve’s boek meer te weten te komen over Van Dorpe’s antisemitisme bleek al te ijdel. Hoewel hij focust op zijn Verdinaso-periode blijft dit thema onaangeroerd. De lezer moet het stellen met de vermelding dat ‘jodenknecht’ deel uitmaakte van het rijke scheldvocabularium van Van Dorpe. Maar een dergelijke belediging maakt iemand – en zeker toen – natuurlijk nog geen antisemiet. Ik was verbaasd en begon te twijfelen. Was ik bevooroordeeld te veronderstellen dat ook Van Dorpe had deelgenomen aan het anti-Joodse koor? Bleek hij misschien immuun voor de al te radicale stemmen en zou hij mede daarom tijdens de bezetting afstand nemen van de vele gewezen Dinaso’s die hun antisemitische overtuiging wel tot het bittere einde trouw bleven? Eerlijk gezegd kon ik dat moeilijk geloven. Ik had mijn bedenkingen bij de figuur van Van Dorpe en zijn artikelen die ik, tijdens mijn onderzoek naar Van Severen, vaak alleen zuchtend kon verwerken. Teneinde raad besloot ik zelf op onderzoek te gaan. Enkele uren grasduinen in Hier Dinaso! volstonden om – behalve vuile handen – de bevestiging te krijgen dat ook Van Dorpe’s antisemitisme wel degelijk meer aandacht verdiende.

frantz-van-dorpe-studiedag.jpg
cover_front_creve.jpg
hoogmoed_omslag_def2.jpg

‘Het internationale Joden-schuim’

‘Wir sind völkisch, sozialistisch im nicht-marxistischen Sinn, absolut antisemitisch, rassistisch aber nur bis zu einem gewissen Grade.’ Zo vatte Joris Van Severen in juni 1935 in een openhartig interview met de Prager Presse zijn programma samen. Niet dat de leider van het Verdinaso ooit een geheim van zijn antisemitisme had gemaakt. Ook op dit vlak wilde hij breken met het traditionele Vlaams-nationalisme, dat zich tegenover Joden lange tijd tolerant had getoond. Van Severens antisemitisme maakte deel uit van een algehele ommekeer begin jaren dertig, waarbij vele Vlaams-nationalisten, op basis van ‘völkische’ criteria, zich steeds onverdraagzamer gingen opstellen ten opzichte van Joden. In Vreemdelingen in een wereldstad. Een geschiedenis van Antwerpen en zijn joodse bevolking (1880-1944) toonde Lieven Saerens, op basis van omstandig onderzoek, aan waarom het Verdinaso als een van de wegbereiders van deze kentering geldt. Hoewel de beweging vooral bij Franse nationalistische en fascistische stromingen aansloot, maakte Saerens inzichtelijk hoe het Verdinaso tegelijkertijd door het nationaalsocialistische raciale antisemitisme werd beïnvloed. Het bleef bovendien niet bij woorden alleen. Een groot aantal gewezen leden van het Verdinaso kwam tijdens de Tweede Wereldoorlog terecht in de ‘zwartste collaboratie’: als lid van de Algemeene SS-Vlaanderen, DeVlag of als gewelddadige Jodenjager in Antwerpen. Ook tot de eerste lichtingen Vlaamse oostfrontstrijders, voor wie de strijd tegen het bolsjewisme samenhing met de oorlog tegen het Jodendom, behoorden veel ex-Dinaso’s.

Saerens’ taboedoorbrekende studie verscheen twintig jaar geleden en is inmiddels uitgegroeid tot een standaardwerk, waarop vele deelonderzoeken verder bouwden. Toch bleven nog veel vragen onbeantwoord, ook wat betreft het Verdinaso. Onder meer de antisemitische inbreng van het groepje vertrouwelingen rondom Joris van Severen, waartoe ook Van Dorpe behoorde, bleef onderbelicht. Toegegeven, uit Saerens’ studie blijkt op het eerste zicht dat Van Dorpe weinig valt te verwijten. Hij was in ieder geval veel minder extreem dan zijn goede vriend Paul Persijn, de ‘hoofdman’ voor Antwerpen-stad. Wie Persijns artikelen, toespraken en brieven onder ogen krijgt, kan niet anders dan besluiten dat zijn carrière in het Verdinaso op antisemitisme was gebouwd. Het legde hem geen windeieren want onder Persijns leiding zou de Antwerpse Dinaso-afdeling tot een sterke bloei komen, wat resulteerde in een aantal druk bijgewoonde openbare meetings. Daar zweepte hij het publiek steevast op tegen het Joodse volk met als kernbegrip de ‘rassenschande’. Volgens Persijn was het bedrog van de Jood hem ‘ingeboren’. Hij was nu eenmaal lid van een volk ‘dat slechts parasiteerend leeft, dat slechts woekert op vreemden bodem!’ Persijn deinsde er zelfs niet voor terug te zwaaien met de Protocollen van de Wijzen van Zion, wellicht het meest perfide antisemitische geschrift, waarvan al in 1921 werd aangetoond dat het hele verhaal was verzonnen. Maar noch in Creve, noch in Hoogmoed, waarin hij als latere verzetsman nochtans een belangrijke rol speelt, komt Persijns rabiate Jodenhaat ter sprake.

Van Dorpe zou meermaals de scène met Persijn delen. Dat gebeurde onder meer op de eerste massameeting van het Verdinaso in Antwerpen op 19 april 1936. In zijn redevoering nam Van Dorpe het antimilitarisme van de voormalige Frontpartij op de korrel en wees hij op het voorbeeld van Duitsland waar een ‘schoone en moedige jeugd zichzelven een schoon leven houwde met het zwaard der gerechtigheid’. Helaas zag hij in eigen land de IJzergeneratie, die veelbelovend en offerbereid uit de loopgraven was gekomen, misleid worden, ‘ja vernietigd door vuige joden en lafhartige democraten’. Ook later in zijn toespraak komt hij terug op de democratie die als een ‘bedrieglijk jodenstelsel’ werd verworpen. Voor het Verdinaso mocht het niet tot woorden beperkt blijven. Zo had Persijn drie dagen eerder in Hier Dinaso! beloofd met alle macht de ‘voorrechten’ van Joden te beknotten. Wat dat zoal inhield, bleek uit de door Jongdinaso toegejuichte rellen in het stadspark in november 1936 en het voornemen om ook een jaar later ‘hardhandig’ op te treden: zo zou, aldus luidde het propagandaoffenstief, ‘bv. tegen de Lente eene zuivering van het Stadspark het vertrekpunt kunnen worden van eene vruchtbare agitatieperiode.’

Voor het groepje Verdinaso-intellectuelen, waartoe Persijn en Van Dorpe worden gerekend, waren er ook subtielere vormen van intimidatie. Zij begonnen hun pijlen te richten op organisaties, die opkwamen voor de rechten van Joden. Een daarvan was het te Antwerpen gevestigde Katholiek Bureau voor Israël (KBI), dat door publicaties en voordrachten over de ‘Joods-christelijke traditie’ vooroordelen en verkeerde voorstellingen tegen wilde gaan. Voor de Antwerpse Joden, die beter dan anderen wisten wat er zich op dat moment in Duitsland afspeelde, leek het immers of die storm naar België zou overwaaien. Over de KBI en de perikelen rond de opheffing ervan heeft Saerens omstandig geschreven. Hij legt gedetailleerd uit hoe vooral bij het Anti-Joodsche Front en het Verdinaso de doelstellingen van het bureau niet in goede aarde vielen. Ook Van Dorpe liet zich niet onbetuigd. In januari 1938 maande hij alle Dinaso’s aan om het KBI te blijven bestrijden. Zijn voorpagina-artikel herinnerde aan een waarschuwend artikel uit L’Ordre Thiois uit 1936 en hij voegde eraan toe dat sindsdien onmiskenbaar is gebleken ‘dat dit zonderlinge ‘bureau’ geen ander doel heeft als de verdediging der ‘rechten’ der joden in België en de bekamping van het ‘anti-semitisme’’. (Let op de veelzeggende aanhalingstekens.) Immers, zo vervolgde hij, ‘het is geen godsdienstige instelling, zelfs gelovige katholieken hebben dus het volste recht deze inrichting en haar promotors te bekampen, en voor Dinaso’s is dit recht een plicht.’ Om redenen die niet helemaal duidelijk zijn, werd het Comité al in 1938 op advies van het Belgische episcopaat opgeheven. Hier Dinaso! reageerde smalend: ‘Arm ‘Katholiek Bureau voor Israël’, dat na zo’n kortstondig bestaan den slaap der onnozelen moest gaan slapen…, terwijl er nog zulk een kamp te strijden is voor de verdediging en voor de emancipatie…van het joodse ras!!!’ Had het Verdinaso een hand in de opheffing van het bureau? Er zijn alvast aanwijzingen (onder meer door Creve aangehaald) dat het Verdinaso bij de hogere geestelijkheid goed stond aangeschreven. Bovendien was iemand als Van Dorpe erg bedreven in het leggen van contacten met de hoogste machtsregionen. Het is een piste die verder moet worden onderzocht.

Creve wijst erop hoe Van Dorpe zich in Hier Dinaso! deed opmerken met ‘een sterk polemische, soms zelfs pathetische stijl’. Zijn scheldtirades blonken inderdaad uit in agressieve beledigingen en patserige grootspraak. Het is een van de (overigens ook al in die periode aangekaarte) grote paradoxen van het Verdinaso: hoe is het mogelijk dat deze zelfverklaarde aristocraten, die prat gingen op hun ‘stijlvolle voornaamheid’ en zich ver boven de democratie waanden, tezelfdertijd weinig kansen onbenut lieten om hun blad tot een open riool te degraderen? In Van Dorpe’s archief, dat door zijn zoon minutieus werd geïnventariseerd, bevinden zich anonieme, aan hem toegeschreven artikelen waarin eveneens op de anti-Joodse snaar wordt geramd. Natuurlijk moeten we deze met de nodige omzichtigheid behandelen maar het geeft op zijn minst aan op welke manier Hier Dinaso! excelleerde in antisemitisme. Bij wijze van voorbeeld het korte stukje onder de titel ‘Het eerste gevolg’ dat vlak na de Anschluss van 1938 verscheen. Hierdoor werden ook de Oostenrijkse Joden vogelvrij verklaard en begon het vluchtelingenprobleem steeds meer internationale dimensies aan te nemen. De auteur, wiens stijl gelijkenissen vertoont met de grofgebekte Van Dorpe, was getuige van een samenscholing aan de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen. Op zichzelf was dit niet zo’n probleem maar wat hem bezwaarde was dat:

"een ondraaglijke reuk van knoflook en andere ingrediënten en een overweldigend aantal baarden, kaffans, stroomlijn en andere kromme neuzen ons in den geest plotseling naar een of ander nest uit Zuid-Polen of Ukraïne overplaatste. Met de cynieke medewerking van Kam. Huysmans en de misdadige passiviteit van onze bewindvoerders wordt Antwerpen stilaan een Groot Ghetto waar er weldra geen plaats meer zal zijn voor onze werkzame Sinjoren-bevolking. Destijds bad men in de litanie: “van het geweld der Noormannen,verlos ons Heer!” Het zal nodig zijn weldra een nieuw gebed voor te schrijven: ‘Van de plaag der Joden, verlos ons Heer!'"

 De ‘Reichskristallnacht’ van november 1938 zorgde (even) voor een schok bij de Belgische publieke opinie. Hier was openlijk en op grote schaal geweld tegen de Joden gebruikt. In Hier Dinaso! zag W.(illem) M.(elis), die samen met Van Dorpe in 1941 uit het Verdinaso zou stappen, zich in naam van de redactie verplicht duidelijkheid te scheppen over de houding van het blad. Wel erg omzichtig schreef hij dat ‘ons Westers temperament toch wel in opstand’ komt tegenover de manier waarop de Duitsers aan het ‘Jodenvraagstuk’ een oplossing wilden geven. In één beweging wees hij erop dat ‘het verwijt aan ‘racisme’ te doen’, aan het adres van iedereen die wijst op het gevaar van de grote Joodse ‘internationale’, geen steek hield. Dit vermeende gevaar, aldus Willem Melis, komt nog sterker tot uiting wanneer de lezer even zou nadenken ‘over de zeer specifieke eigenschappen van dit Joodsche volk, zijn zucht naar intrigue, zijn zin voor zwendel en woeker en financieele malversaties, zijn schaamtelooze vasthoudendheid’. Dat Van Dorpe zich daarin kon vinden, bleek toen hij in september 1939 waarschuwde voor de oorlogsdreiging. Hij verklaarde noch van ‘bepaalde opvattingen die de levenshouding van het nationaal-socialisme kenmerken’, noch van ‘den judeo-marxistischen kanker’ te houden. Maar, zo voegde hij eraan toe: 'Wenschen wij den Hitlerbot niet op te poetsen, nog veel minder zien wij uit naar den triomf van het internationale Joden-schuim, dat zich ongetwijfeld voorbereid om met ongekende driestheid de wereld te overstroomen'. Met andere woorden: bij het proportioneel afwegen van twee ‘gevaren’ moesten Van Dorpe’s voorzichtige bedenkingen bij het nazisme het onderspit delven tegen het waanidee van een Joodse ‘internationale’.

Toen einde jaren dertig steeds meer haveloze Joodse vluchtelingen België binnenstroomden, speelde de Antwerpse afdeling van het Verdinaso hier voortdurend op in. Vooral Kamiel Huysmans, die zich inspande voor een menswaardige behandeling, was daarbij kop van jut. De burgemeester kon echter niet verhinderen dat de DMO in juli 1939 een optocht in de stad hield. De Hier Dinaso!-verslaggever schreef triomfantelijk hoe ‘honderden Joden angstvallig van achter hun gordijn’ naar dit ongewone schouwspel keken. En hij klopte zich op de borst met een brutaliteit die menig Dinaso typeerde: 'Een zegening van Joodsche vloeken en verwenschingen, onhoorbaar, daalt met alle zekerheid op dat ogenblik op ons neer. Wij hebben de stellige overtuiging dat voor hen vanaf 10 uur hun dag bedorven is. De onze echter niet!'. Nog in maart 1940 slaagde het Verdinaso er in een verbod op een propagandavergadering te omzeilen door vlugschriften te verspreiden bij Antwerpse middenstanders. Deze vlugschriften, aldus een rapport van de Gerechtelijke Politie, waren een oproep om een besloten vergadering in het Verdinaso-lokaal bij te wonen. Daar zouden de middenstanders, door Paul Persijn en Joris Van Severen zelve, worden ingelicht over ‘het internationaal Joodsch kapitaal’ dat hun welstand bedreigde.

‘Wij strijden voort’

Eerder in maart 1940 was Van Dorpe uitgesloten uit het Verdinaso. Hij had de deur achter zich dicht geslagen met harde woorden aan het adres van Van Severen. Toen deze twee maanden later in Abbeville werd vermoord, zag Van Dorpe plots zijn kans schoon om opnieuw een leidinggevende functie te spelen. (Een switch die mijns inziens typerend was voor Van Dorpe’s elitair gedreven verlangen naar een machtsvacuüm.) Vanaf augustus was Van Dorpe hoofd van de Dinaso-persdienst en feitelijk hoofdredacteur van Hier Dinaso! Wat betreft antisemitische bijdragen werd de lijn van voor de bezetting niet alleen verdergezet maar zelfs geïntensiveerd. Persijn, die zich aan de zijde Van Dorpe op de voorgrond werkte, liet in redevoeringen nog minder nuance toe in de houding van het Verdinaso: "De joden zijn vreemdelingen en vreemdelingen van een zeer gevaarlijke soort". En op 1 juli schreef hij aan de gouwleiders, gewestleiders en hoofdmannen van het Verdinaso: 

"Wij vochten aan de zijde van de werkelijke doodsvijanden van ons volk, de plutocratie en het internationale jodendom, tegen de dragers van de orde die wij huldigen (...) De democraten hebben gelukkiglijk voor altijd recht van spreken en van handelen verloren (...) Gedurende maanden hebben wij, in onze vergaderingen en in onze wekelijksche artikelen, de onzinnigheid en de misdadigheid van dezen oorlog, door het internationale jodendom en delo ge tegen Duitschland gevoerd, bewezen".

Toen Van Dorpe op 24 augustus in Hier Dinaso! zijn ‘comeback’ maakte, ging hij op hetzelfde elan verder. Het nieuws over Van Severens dood was intussen bekend en vele, vaak jonge Dinaso’s wachtten ongeduldig op nieuwe richtlijnen. In zijn eerste artikel als hoofdredacteur spoorde Van Dorpe zijn lezers aan het werk af te maken en eindelijk de heersende elites te vervangen: ‘Het Capitalisme, het Liberalisme, de Democratie, de Vrijmetselarij, de Joderij zullen hier niet verslagen zijn, zoolang het nieuwe huis niet stevig is opgetrokken, zoolang geheel nieuwe instellingen geleid door geheel nieuwe mannen, de Nationaalsolidaristische Orde in het land niet hebben verwezenlijkt.’ Het Verdinaso had steeds in de voorlinie gestaan, ook in de strijd tegen de Joden, en moest hier nu de vruchten van plukken. In een rede op 15 september te Diest deed de hoofdredacteur van Hier Dinaso! er nog een schepje bovenop: ‘Voor een autoritaire staat tegen elke vorm van demokratie. Joden uit alle openbare ambten. Joden worden staatslozen.’[1] De oproep sluit aan bij het vroegere Dinaso-standpunt, dat de Joden uit de openbare functies, de pers, de radio en de film wilde uitgesloten zien. Precies die eisen waar de eerste Duitse Jodenverordeningen van 28 oktober 1940 een ‘antwoord’ op gaven.

De klemtoon die Hier Dinaso! in die periode op antisemitisme legde, droeg er wellicht toe bij dat het Verdinaso zich kon verheugen in een flinke toename van het aantal leden. Intussen was ook een ‘Dinaso-centrale voor Anti-judaïstische en Anti-maçonnieke Actie’ opgericht die adressen van Belgische loges afdrukte (inclusief namen van voorzitters) en schreef Alfons Herten een artikel waarin hij, in navolging van het voorbeeld van het NSDAP in Duitsland, alle antisemieten in België aanspoorde zich hoogdringend aan te sluiten bij het Verdinaso. Herten stelde dat Van Severens organisatie zich steeds ‘radicaal afwerend’ tegenover Joden had verhouden, bevestigde expliciet Saerens’ stelling dat het Verdinaso als van de eerste Belgische organisaties een theoretisch concept formuleerde om zijn antisemitisme te motiveren en hoopte tenslotte dat spoedig ‘Joodse reservaten’ zouden worden opgericht.

Het staat vast dat Van Dorpe als hoofdredacteur dergelijke opruiende bijdragen in Hier Dinaso! gedoogde. Bovendien deed hij ook zelf zijn antisemitische duit in het zakje. Het lijdt eveneens geen twijfel dat vele Dinaso’s hierdoor werden geïnspireerd. Meer zelfs, was dit voor hen niet een van de duwtjes richting ‘zwartste collaboratie’? Of maak ik mij nu schuldig aan oordelen, comfortabel achteraf? De vraag vertoont in ieder geval opvallende parallellen met de discussies die vandaag rond de extreemrechtse en nog steeds spoorloze militair Jürgen Conings worden gevoerd: in hoeverre kunnen politieke figuren of een breder netwerk waarin haatspraak kan gedijen – of zelfs wordt aangemoedigd – verantwoordelijk worden gesteld voor de radicale keuzes van individuen?

Samen met de rest van de leiding zou Van Dorpe in het najaar van 1940 trachten de positie van het Verdinaso te versterken. Dat deden ze door een concentratie met gelijkgezinde Nieuwe Orde-groepen na te streven en de bezetter naar de mond te praten. Nog op 23 november juichte Van Dorpe de versmelting van de Nederlandse tak van het Verdinaso met de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) toe en twee weken later verklaarde hij onomwonden dat het Verdinaso van bij aanvang zuiver tegenover het ‘Derde Rijk en zijn Führer’ had gestaan. Op 15 december 1940, tijdens een druk bijgewoonde meeting in de zaal van de dierentuin te Antwerpen, volgde de klap op de vuurpijl. In zijn redevoering betitelde Van Dorpe het Verdinaso zo waar als de ‘oudste Dietse en Nationaalsocialistische beweging’. Terwijl Stuer de inruiling van het nationaal-solidarisme voor het nationaalsocialisme niet vermeldt, beschouwt Creve deze terecht als opmerkelijk. Zeker omdat Van Severen – om de onafhankelijkheid van zijn beweging te benadrukken – zich altijd fel tegen die gelijkschakeling had gekeerd. Het kon niet verhinderen dat Van Dorpe een maand later, op 25 januari 1941, uitpakte met een artikel onder de kop ‘Wij strijden voort. Zonder ook maar een iota te veranderen aan het volwaardig Program van Joris van Severen’. Wellicht voor deze laatste het sein om zich om te keren in zijn pas gedolven graf.

[1] Dit is het enige in deze tekst gebruikte citaat van Van Dorpe dat niet uit Hier Dinaso! komt. Zie hiervoor Jan Vincx. Vlaanderen in  uniform, 1940-1945. Etnika, Antwerpen, vol. 2, p. 312. 

Opportunisme en bagatellisering

Het gebrek aan aandacht voor Van Dorpe’s antisemitisme is een gemiste kans. En dan druk ik me nog beleefd uit. Zowel Stuer als Creve hadden eindelijk meer tegenwicht kunnen bieden aan de – vooral in kringen van neo-Dinaso’s en Vlaams-nationalistische apologeten – jarenlange relativering en zelfs ridiculisering van wetenschappelijke bevindingen omtrent de anti-Joodse houding van het Verdinaso. Raakten zij misschien verblind door de schittering van Van Dorpe’s verzetsaureool? Dat blijkt niet meteen uit hun beider boeken. Stuer heeft wel degelijk oog voor Van Dorpe’s innerlijke tegenstellingen en gebreken maar hij schrijft met zo’n vaart dat hij vergeet af en toe vraagtekens te zaaien. Bovendien lijdt de auteur onder een drang tot heroïsering, waardoor hij Van Dorpe op cruciale momenten in bescherming neemt. Een voorbeeld: niet alleen verzwijgt hij Van Dorpe’s gelijkschakeling van nationaalsocialisme en nationaal-solidarisme einde 1940, hij voegt er ook aan toe dat het Van Dorpe ‘verdriet’ deed dat zijn tegenstanders binnen het Verdinaso, met name Pol Le Roy, hier wel onbeschaamd voor uitkwamen. Soms lijkt het alsof Stuer zich een ‘klassiekere’ verzetsheld had gewenst en geen bij uitstek dubbelzinnige figuur zoals Van Dorpe.

De oorzaak van Stuers heroïsering ligt deels in het feit dat hij zijn verhaal te nadrukkelijk vanuit het perspectief van het Verdinaso en Van Dorpe vertelt. Hoewel ik niet twijfel aan zijn intenties, laat hij zich zo meermaals vangen door de vaak flink gekleurde lectuur over deze beweging en zijn leider(-s). Mogelijk is ook het antisemitisme op die manier onder de mat verzeild. Meer wetenschappelijke lectuur en vergelijkend archiefonderzoek hadden deze omissie kunnen voorkomen. Zeker wanneer je jezelf, zoals Stuer, presenteert als ‘alwetende verteller’ in een non-fictieboek. Nu is het bij momenten niet duidelijk wie welke uitspraken doet: Frantz Van Dorpe die door een historicus wordt geparafraseerd? Of gaat het hier om ‘objectieve’ feiten? In een finale poging om Van Dorpe alsnog te doorgronden wringt Stuer zich in allerlei – weliswaar stilistisch verantwoorde – bochten om een woord te vermijden dat aan het einde van zijn boek op mijn lippen lag: opportunisme. Van Dorpe komt over als een man die, niet gehinderd door principes, steeds voordeel tracht te halen uit de mogelijkheden van het moment. Dat kun je constateren zonder morele superioriteit aan de dag te leggen.

In het geval van Creve zijn er wellicht andere redenen. Al in 1987, toen zijn boek over het Verdinaso en zijn milities verscheen, kreeg hij het verwijt het antisemitisme te bagatelliseren. Ook nu beweert Creve geen ‘echt’ antisemitische uitspraken te hebben gevonden, althans geen uitspraken die er echt uit sprongen of die radicaler klonken dan wat de tijdsgeest voorschreef. Saerens toonde nochtans overtuigend aan dat aangehouden hetzecampagnes tegen de Joden enkel terug te vinden waren bij Nieuwe Orde-gezinde organisaties als het Verdinaso en het VNV. Natuurlijk waren er, veelal katholieke, kranten die een negatief beeld van Joden schetsten maar dat is nog iets anders dan doelbewust aanzetten tot Jodenhaat. Er waren zelfs bladen – liberale, socialistische, communistische of links Vlaams-nationalistische – die aan de tijdsgeest weerstand boden door het zogenaamde ‘vreemdelingen- of Jodenvraagstuk’ niet uit te spelen. Ook dat mag worden benadrukt.

Gelukkig zijn Creve en Stuer wel kritisch voor de wijze waarop Van Dorpe op zijn Verdinaso-verleden zou terugblikken. De latere respectabele zakenman toonde zich allesbehalve bezwaard, verdoezelde zijn Vlaams-nationalistische beginperiode en zette de breuk met het nationaalsocialisme extra in de verf. Vooral zijn aartsvijand binnen het Verdinaso, DMO-leider en tijdens de bezetting commandant van de Dietsche Militie-Zwarte Brigade Jef François, moest het meermaals ontgelden. In een brief aan zijn kinderen verwijt Van Dorpe hem het ophitsen van ‘meerdere edelmoedige, doch naïeve en kortzichtige jongens’ om aan het oostfront te gaan vechten. Zou hij toen een ogenblik hebben stilgestaan bij de vergiftigende impact van zijn eigen woorden? En hoe kunnen we Van Dorpe’s boycot van het Katholiek Bureau voor Israël rijmen met het feit dat hij Betsie Hollants, de oprichtster ervan, in 1942 een onderduikadres verleende en na de oorlog in dienst nam in zijn textielfabriek? Of was de verzetskeuze op Van Dorpe afgestraald en raakte ook hij geleidelijk afkerig van de Duitse deportatiepolitiek? En wat met zijn betrokkenheid bij de oprichting van de Nationale Arbeidsdienst in september 1940? Deze vzw paste binnen de toen bredere ‘politiek van het minste kwaad’ maar was ook de voorloper van de collaborerende Vrijwillige Arbeidsdienst voor Vlaanderen, die het vertrek van vrijwillige arbeiders naar Duitsland zou coördineren. Dat lijkt me meer dan een ‘fait-divers’ in Van Dorpe’s oorlogsverhaal.

Kortom, ik hoop dat de studiedag in Sint-Niklaas zich ook over deze vraag zal buigen: in welke mate heeft Van Dorpe als leidinggevende figuur mee de deur opengezet voor actieve collaboratie en actief antisemitisme van het Verdinaso-voetvolk, ondanks het feit dat hij in het voorjaar van 1941 deze organisatie inruilde voor het verzet? Waarom werd deze vraag in het verleden nooit gesteld, ook niet of nauwelijks in de twee boeken die nu over Van Dorpe verschenen? Heeft dat alleen te maken met zijn verzetsactiviteiten, de beschermende hand van de CVP of de mythevorming rond de zogenaamde ‘burgerlijke vleugel’ van het Verdinaso? Of lieten velen zich misleiden door Van Dorpe’s troebele achteruitkijkspiegel, zoals de flagrante leugen dat hij vanaf de zomer 1940 weer tot het Verdinaso was toegetreden om de anderen uit de collaboratie te houden? Een ding staat vast: Frantz Van Dorpe was inderdaad ‘zo veel meer’ dan een succesvol politicus en ondernemer.

 

Zie ook

'Interne Keuken' (Radio 1) van 5 juni 2021, waarin Vincent Stuer spreekt over zijn biografie :
https://radio1.be/podcast-interne-keuken

https://www.belgiumwwii.be/nl/...

Reageren?

U wordt geraakt door deze bijdrage of u wenst te reageren?

Uw opmerkingen, commentaren en ideeën zijn welkom via belgiumwwii@arch.be

Pour citer cette page
Frantz Van Dorpe en ‘de plicht’ van iedere Dinaso - Kanttekeningen bij een verzetsman
Auteur : Vandenbroucke Dieter
https://www.belgiumwwii.be/nl/debatten/frantz-van-dorpe-en-de-plicht-van-iedere-dinaso-kanttekeningen-bij-een-verzetsman.html