België in oorlog / Artikels

Patronaat en patronale politiek

Auteur : Luyten Dirk (Instelling : CegeSoma)

De impact van de bezetting verschilde van sociale groep tot sociale groep. Dank zij haar sterke organisaties, die door de bezetter niet werden stilgelegd slaagde het patronaat er niet alleen in de oorlog relatief ongeschonden door te komen maar zelfs om zijn positie te versterken.

Een goed georganiseerd patronaat

Het Belgische patronaat was aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog goed georganiseerd. Vele economische sectoren,  zeker in de zware nijverheid, hadden een sectorfederatie. De federaties werden overkoepeld door het in 1895 opgerichte Centraal Nijverheidscomité, beter gekend onder de Franstalige benaming  Comité Central Industriel (CCI). Het CCI en zijn federaties vertegenwoordigden  het patronaat bij de overheid en waren de tegenspelers van de vakbonden. Het CCI had een Franstalig profiel,  vertegenwoordigde vooral de belangen van de traditionele zware nijverheid en verdedigde het klassiek economisch liberalisme. Naast het CCI bestonden patronale organisaties met een ideologisch profiel, levensbeschouwelijk (katholiek patronaat) of op basis van taal (Vlaams Economisch Verbond – VEV). Ze waren kleiner, minder representatief en anders dan het CCI waren individuele ondernemers (of kaders) er lid van en niet bedrijven.  In de jaren dertig wierp het VEV zich meer en meer op als de uitdager van het CCI en betwiste het diens positie in Vlaanderen.  


 

lucien-graux-indep-belge-22-6-1936-p-3.png
Instelling : KBR
Oorspronkelijke legende : Lucien Graux, voorzitter van het CCI de 1936 tot 1941, Indépendance belge, 22 juni 1936, p. 3

De bezetting, een opportuniteit ?

cci-1-page-001.jpg
Instelling : Cegesoma
Collectie : Lippens AA774/7a
cci-2-page-001.jpg
Instelling : Cegesoma
Collectie : Lippens AA774/7a

Anders dan de vakbonden, die hun activiteiten op last van de bezetter moesten stilleggen en vervangen werden door de Unie van Hand- en Geestesarbeiders (UHGA), konden de patronale organisaties hun activiteiten niet alleen voortzetten, maar werden ze ook gesprekspartners voor het militair bestuur. Vooral het CCI en de federaties konden zo hun machtspositie nog uitbreiden, zowel op sociaal als op economisch vlak.

Het vacuüm dat was ontstaan door het stopzetten van de syndicale activiteiten en van het sociaal overleg in de vooroorlogse paritaire comités - de sectorale overlegorganen die sinds 1936 in alle sectoren bestonden -  werd door het CCI snel opgevuld door een sociale politiek te ontwikkelen op bedrijfsniveau om de arbeiders te omkaderen en zo terrein dat in het interbellum was prijsgegeven aan de vakbonden te heroveren. Het CCI adviseerde al in september 1940 aan ondernemers om activiteiten en diensten voor hun arbeiders te ontwikkelen in de onderneming. Fabrieksraden waren het sluitstuk van die strategie, die via de federaties werd uitgerold en vooral navolging kreeg in de grote Waalse bedrijven. In het kader van deze sociale politiek op ondernemingsniveau stelden vele patroons aan hun arbeiders bijkomend voedsel te beschikking als alternatief voor de haperende ravitaillering.

Het CCI was bovendien nauw betrokken bij de uitbouw van nieuwe economische instituties op initiatief van de bezetter, die de overgang maakten van het economisch liberalisme naar de geleide economie en de exploitatie van de Belgische economie door Duitsland moesten vergemakkelijken. Vanaf de zomer van 1940 werden ‘warencentrales’ opgericht. Ze waren georganiseerd per product (kolen, staal, textiel, non-ferro…) en waren belast met de verdeling van grondstoffen en konden op die manier de economie sturen. Het CCI en de federaties waren actief betrokken bij de oprichting van de eerste warencentrales en trachtten vooraanstaande ondernemers uit eigen kring de leiding te laten nemen van deze nieuwe instellingen, een opzet waar ze doorgaans in slaagden, behalve in sectoren waar er geen sterke federatie bestond zoals in de textielindustrie, waar de warencentrale werd geleid door figuren van het Verdinaso of het VNV met een uitgesproken Nieuwe Orde-profiel.




In sectoren zoals de metaalconstructie was er een symbiose met de federatie, die een nieuwe coöperatieve, Sycobel, oprichtte die de rol van warencentrale kon spelen. Op die manier kon de federatie de warencentrale controleren. Een jaar later, bij het instellen van het systeem van de ‘groepen’ – publiekrechtelijke werkgeversorganisaties met verplicht lidmaatschap – herhaalde dit scenario zich, zij het nog meer uitgesproken. In de sectoren waar het CCI en zijn federaties sterk stonden waren de groepen niet meer dan doublures van de federaties en waren de leidinggevende posities binnen de groepen in handen van de bestuurders van de federatie.

 

Economische politiek, concurrentie en machtsuitbreiding

Hoe kan de grote bereidheid van het CCI en zijn federaties om een actieve rol te spelen in organisaties die een kopie waren van de organisaties die in Nazi-Duitsland bestonden en georganiseerd waren op basis van het Führerprinzip verklaard worden?

Drie factoren speelden een rol. Een eerste houdt verband met de Galopin-doctrine, waar het CCI mee bekend was : afgevaardigd-bestuurder Gustave-Léo Gérard was immers de tweelingbroer van Max-Léo Gérard, één van de kernleden van het Galopin-comité. Eén van de pijlers van de doctrine was dat alle producenten dezelfde politiek moesten volgen en dat beslissingen om Duitse bestellingen al dan niet te aanvaarden in gemeenschappelijk overleg moesten worden genomen. Vanuit dat perspectief was het van belang om aanwezig te zijn in die organen waar beslist werd over productie voor Duitsland.

Een tweede motief was politiek : de vrees bestond dat de nieuwe economische instituties, waarvan werd verwacht dat ze een belangrijke rol zouden gaan spelen, zouden worden geleid door figuren uit de politieke collaboratie, waarvan niet kon worden verwacht dat ze de belangen van de gevestigde ondernemers zouden dienen. Dit motief werd door de bezetter actief in de hand gewerkt door het VEV, waarvan een deel van de leiding de Nieuwe Orde genegen was,  bij de onderhandelingen te betrekken en zo het CCI en de federaties concurrentie aan te doen, wat hun  bereidheid om mee te werken in de nieuwe organen zou verhogen.  Ten slotte speelde een rol dat wanneer de federaties de hand konden leggen op de warencentrales en later de groepen, hun macht en invloed zou uitbreiden omdat het lidmaatschap van de nieuwe organen verplicht was, anders dan bij de privaatrechtelijke federaties het geval was. 

163796-gerard.jpg
Instelling : Cegesoma
Oorspronkelijke legende : Max-Leo Gerard (1879-1955), s.d.

Patronale sociale politiek

Van de UHGA  die  hoe langer hoe meer in de greep van de bezetter kwam, hield het CCI zich ver, niet alleen om zich niet onnodig te compromitteren met de collaboratie, maar ook om geen voorschot te nemen op de toekomst door te kiezen voor samenwerking met een externe vakbondsorganisatie eerder dan een werknemersvertegenwoordiging op te bouwen van onderop, op basis van de fabrieksraden, waar het patronaat meer controle op had. Wat de comités van sociale experts, de op autoritaire leest geschoeide opvolgers van de paritaire comités waar de werknemers vertegenwoordigd werden door de UHGA,  betreft stelde het CCI zich eveneens terughoudend op. Om de bezetter niet voor het hoofd te stoten werden weliswaar kandidaten voorgedragen, maar het ging niet om topfiguren, eerder om figuren van het tweede plan, die in de nieuwe comités geen erg actieve rol speelden. Via de comités van sociale experts afstand nemen van de UHGA kaderde ook in de hernieuwde contacten met de vooroorlogse vakbonden na de staking der 100.000. Naast de positionering tegenover de bezetter maakte het patronaat ook werk van de voorbereiding van de na-oorlog. Wat de sociale politiek betreft legt die voorbereiding interne tegenstellingen binnen het CCI bloot. CCI-functionaris Paul Goldschmidt, na de oorlog één van de centrale figuren van de uitbouw van de sociale zekerheid, was betrokken bij de onderhandelingen over het sociaal pact en steunde de sociale politiek, gericht op samenwerking met de arbeidersbeweging,  die in het pact werd gecodificeerd. Die lijn werd echter niet lang door iedereen gevolgd : Gustave-Léo Gérard was er geen voorstander het mijnpatronaat of de Société Générale, die talrijke bedrijven vooral in de zware nijverheid controleerde evenmin. Zij vreesden dat de loonkost, vooral als gevolg van de verplichte sociale zekerheid, zou stijgen, wat de internationale concurrentiepositie van de Belgische industrie in het gedrang zou brengen.  Ondernemers in minder arbeidsintensieve sectoren zoals de chemie of waar productiviteitsverhogingen de stijging van de loonkost makkelijker zouden kunnen compenseren zoals de metaalconstructie dachten daar anders over. 

Een sterkere machtspositie na de oorlog

De gedifferentieerde politiek van de bezetter tegenover vakbonden en werkgeversorganisaties, waarbij de laatsten niet alleen konden blijven voortbestaan, maar hun macht en invloed konden uitbreiden gaf het patronaat een strategisch voordeel dat na de bezetting doorwerkte. De groepen werden na de bevrijding niet afgeschaft, maar bleven voortbestaan in het kader van de zgn ‘voorlopige bedrijfsorganisatie’. De collaborateurs werden weliswaar verwijderd, maar de groepen werden niet opengesteld voor vertegenwoordigers van de werknemers, zodat de economische medezeggenschap geëist door de vakbonden nog enkele jaren op zich zou laten wachten. 

cci-4-page-001.jpg
Instelling : Cegesoma
Collectie : Lippens AA774/7a

Bibliografie

Dirk Luyten, ‘Het Sociaal Pact van 20 april 1944 : kanttekeningen bij een politieke tekst’ in, Brood & Rozen, 2015, nr. 4, p. 26-49

Dirk Luyten, Ideologie en praktijk van het corporatisme tijdens de Tweede Wereldoorlog in België, Brussel, VUBPRESS, 1997.

Guy Vanthemsche, ‘De reorganisatie van het Belgisch patronaat : van Centraal Nijverheidscomité naar Verbond der Belgische Nijverheid (1946)’ in Els Witte, Jean-Claude Burgelman, Patrick Stouthuysen (eds.),  Tussen restauratie en vernieuwing : aspecten van de naoorlogse Belgische politiek (1944-1950), Brussel, VUB-Press, 1989, p. 109-147.

Meer weten

260713 Artikels Corporatisme (‘ordening van het bedrijfsleven’) Luyten Dirk
le-drapeau-rouge-1-6-1941-extrait.jpg Artikels Stakingen tijdens de Tweede Wereldoorlog in België Luyten Dirk
3002 Artikels Bedrijven Luyten Dirk
2998 Artikels Economische collaboratie Luyten Dirk