Tussen december 1940 en februari 1941 werden meer dan drieduizend buitenlanders door de Duitse Feldkommandantur uit Antwerpen uitgewezen en naar de provincie Limburg gestuurd. De overgrote meerderheid van hen was Joods. Deze uitwijzing vormde de eerste grote breuklijn in het leven van de Antwerpse Joden onder de nazibezetting en had een grote impact op hun overlevingskansen later tijdens de oorlog.
De uitwijzing organiseren
De reden voor de massale uitwijzing naar Limburg wordt nog steeds onderzocht. Vermoedelijk ging het om een militaire maatregel in aanloop naar operatie Seelöwe, de geplande nazi-invasie van Engeland. Op 12 november 1940 gaf de Militärbefehlshaber via een nieuwe verordening de Kommandanturen in Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen en Antwerpen de macht om personen een verblijfplaats op te leggen. Met zulke gedwongen uitwijzingen wilde het bezettingsbestuur waarschijnlijk het kustgebied en de strategisch belangrijke haven van Antwerpen beschermen.
Op 20 november 1940 vroeg de Feldkommandantur in Antwerpen aan de provinciegouverneur om zes namenlijsten van vreemdelingen te leveren, waaronder een lijst van alle Duitsers aangekomen sinds begin 1933, alle Tsjechoslowaken aangekomen sinds begin 1938 en alle statelozen afkomstig uit door nazi-Duitsland bezette gebieden. Een zevende lijst moest alle Joden vermelden, maar de provincie en de gemeenten hadden eind november 1940 nog geen gegevens over hun Joodse inwoners. Pas vanaf 11 december 1940 startte immers de registratie in de gemeentelijke Jodenregisters. De Antwerpse vreemdelingenpolitie dook daarom in zijn eigen dossiers, op zoek naar paspoorten van Joden uit Duitsland met de letter ‘J’ erop, Poolse geboorteaktes met de vermelding van Joodse godsdienst, of documenten van Joden uit het Duitse Rijk met de verplichte voornamen ‘Israël’ of ‘Sara’. Die informatie over de Joodse afkomst van een persoon werd aan de zes namenlijsten met vreemdelingen toegevoegd.
De lijsten die de Feldkommandantur uiteindelijk op 28 november 1940 ontving, bevatten 7.321 namen van vreemdelingen in de Antwerpse agglomeratie die uitgewezen moesten worden. Deze vreemdelingen waren bijna allemaal Joods.
Auteursrechten : Alle rechten voorbehouden
Originele legende : Een formulier uit het Jodenregister van Antwerpen, op naam van Hinda Lemberger. De stempel van de rode davidster toont dat zij haar Jodenster heeft afgehaald.
De treinen naar Limburg
Vanaf 18 december 1940 bezorgde de lokale politie individuele, genummerde uitwijzingsbevelen. De geadresseerde moest zich, samen met eventuele minderjarige kinderen in het gezin, melden op het treinstation Antwerpen-Zuid. Mensen onttrokken zich massaal aan het bevel. Van alle aangeschreven volwassenen daagde slechts één derde (34,98%) daadwerkelijk op. Vele anderen verlieten Antwerpen op eigen houtje, presenteerden een echt of vervalst medisch vrijstellingsattest, weigerden te tekenen voor ontvangst van het bevel, of daagden simpelweg niet op in het station.
Uiteindelijk melden 3.293 personen – aangeschreven volwassenen en hun minderjarige kinderen – zich op het station. 3.190 van hen waren Joods. De anderen waren voornamelijk niet-Joodse partners en kinderen geboren uit gemengde huwelijken. Ze vertrokken tussen 21 december 1940 en 12 februari 1941 met in totaal negen treinen richting de provincie Limburg. Leden van het Vlaamse Rode Kruis en een of twee Antwerpse politieagenten reisden mee. Enkel tijdens het eerste vertrek waren er Duitsers aan boord van de passagierstrein.
Bij aankomst in het station van Hasselt werden de uitgewezen families onthaald door burgemeesters van telkens andere Limburgse gemeenten. De Antwerpenaren werden in kleine groepjes over de burgemeesters verdeeld en vervolgens doorgestuurd naar de eindbestemming. Ze kwamen zo in 35 steden en gemeenten terecht, variërend van grotere steden zoals Genk tot kleine plattelandsdorpen zoals Schulen, Neeroeteren en Alken.
Collectie : Regina Degen en Benedikt Felsen Fonds
Auteursrechten : Alle rechten voorbehouden
Weblegende : Regina Degen, tweede van links, en Benedikt Felsen, rechts, met hun gastgezin, de familie Paulissen in As, tijdens de verplichte relocatie uit Antwerpen naar Limburg in 1941. Regina en Benedikt werden in 1942 vanuit de Dossinkazerne gedeporteerd en vervolgens in Auschwitz-Birkenau vermoord.
Het dagelijks leven op het Limburgse platteland
De leefomstandigheden van de Antwerpse Joden in Limburg liepen sterk uiteen. De families werden ondergebracht in leegstaande private woningen en in publieke gebouwen zoals scholen, of kwamen bij lokale gastgezinnen terecht. Soms was de behuizing ronduit erbarmelijk en bestond de woning uit niets meer dan een vochtige schuur op een braakliggend veld. Vaak werden meerdere families samen op één locatie ondergebracht.
De uitgewezen Joden stonden onder streng toezicht. Zij moesten zich dagelijks melden bij de lokale overheden en het was hen ten strengste verboden om te werken. Aangezien zij van hun inkomsten in Antwerpen waren afgesneden, moest de lokale afdeling van de Commissie van Openbare Onderstand (vandaag het OCMW) in hun onderhoud voorzien. Desondanks werkten sommigen in het zwart bij boeren in de omgeving of zelfs in de steenkoolmijnen.
Het dagelijks leven in de Limburgse gemeenten kende twee gezichten. Enerzijds was er ruimte voor het eigen dagelijkse leven. In Beverlo richtten de uitgewezenen bijvoorbeeld een synagoge in, en in verschillende dorpen gingen de jongere kinderen gewoon naar de lokale school. Er ontstonden in sommige gevallen zelfs hechte vriendschappen tussen de Joodse families en hun Limburgse gastheren. Anderzijds was het antisemitisme nooit ver weg. Max Schindler getuigde na de oorlog hoe hij als jongetje op de speelplaats door lokale kinderen was omsingeld en geïnspecteerd om te zien “of hij geen hoorns had [zoals de duivel]”.
Het werkkamp 'Op den Holven' in Overpelt
Vanaf 21 maart 1941 mochten uitgewezen vrouwen, kinderen, zieken en mannen ouder dan zestig jaar om onbekende redenen naar Antwerpen terugkeren. De gezonde, arbeidsgeschikte mannen kregen echter nog geen toestemming om Limburg te verlaten. Eind april 1941 besliste de bezetter om in de Limburgse gemeente Overpelt het werkkamp ‘Op den Holven’ in te richten. Het kamp huisvestte van begin juni tot eind augustus 1941 zo’n 160 Joodse dwangarbeiders. Zij kregen de zware fysieke taak om een moerassig gebied droog te leggen en er landbouwgrond van te maken.
De mannen werkten zonder degelijk schoeisel, hadden constant natte voeten en kampen met een gebrek aan voedsel. Ondanks de zware arbeid week ‘Op den Holven’ sterk af van andere nazi-werkkampen. De eerste weken was het kamp niet omheind en bestond de bewaking uit Belgische politieagenten. De faciliteiten waren draaglijk: er was een dokter, een ziekenboeg, een kapper en een wasserij. De mannen mochten post versturen en ontvangen, en het kampreglement vermeldde de uitbetaling van een dagloon.
Midden augustus 1941 besliste de Feldkommandantur in Hasselt dat alle Antwerpse Joden, inclusief de dwangarbeiders in ‘Op den Holven’, Limburg vóór 31 augustus 1941 definitief moesten verlaten. De mannen in ‘Op den Holven’ werden echter niet teruggestuurd naar Antwerpen, maar kregen het bevel zich in Brussel te vestigen. Daar voegden hun echtgenotes en kinderen zich bij hen. Tegen het einde van de zomer waren alle Antwerpse Joden uit Limburg vertrokken.
Collectie : collectie gemeente Houthalen
Auteursrechten : Alle rechten voorbehouden
Weblegende : Brief met betrekking tot de werkcondities van Joden in het kamp van Overpelt, 16 januari 1986.
Collectie : Gisele Soldinger Warshawsky
Auteursrechten : Alle rechten voorbehouden
Originele legende :
Weblegende : Groepsfoto van Joden die verplicht naar Bilzen in Limburg werden uitgewezen.
Impact op de overlevingskansen
De uitwijzing naar Limburg woog vanaf 1942 zwaar door op de overlevingskansen van de getroffen Joden. Van zij die naar Limburg waren gestuurd, werd maar liefst twee derde (65,7%) gedeporteerd. Dit cijfer was veel hoger dan dat voor de volledige Antwerps-Joodse bevolking, waarvan iets meer dan de helft (56,03%) was gedeporteerd, en dan dat voor de gehele Belgisch-Joodse bevolking, waarvan iets minder dan de helft was weggevoerd (45%).
Wanneer de bezetter vanaf juli 1942 Arbeitseinsatzbefehle (werkbevelen) uitstuurde om Joden naar de Dossinkazerne in Mechelen te lokken, gehoorzaamden naar Limburg uitgewezen Antwerpse Joden vaker aan dit bevel dan niet-uitgewezen Antwerpse Joden.
Auteursrechten : Alle rechten voorbehouden
Originele legende : La Libre Belgique, 12/5/1945, p. 3
Maar liefst een vierde (26,25%) van alle Joden die in Limburg waren geweest en die vervolgens waren gedeporteerd, had zich met een werkbevel in Mechelen gemeld. Voor Antwerpse Joden die niet naar Limburg waren gestuurd was dat maar een op acht (13,03%). De uitwijzing naar Limburg had een vals gevoel van veiligheid gecreëerd onder de getroffen Antwerpse Joden. Het verblijf in Limburg was voor veel van hen een relatief vreedzame ervaring, met families die bij elkaar waren gebleven. De dwangarbeid in het kamp ‘Op den Holven’ was zwaar, maar niet levensbedreigend, en creëerde een verkeerd beeld van een nazi-werkkamp. Heel wat uitgewezen Antwerpse Joden dachten wellicht dat de nieuwe oproep tot ‘arbeid’ in juli 1942 een vergelijkbare ervaring zou opleveren. Deze misrekening werd velen van hen fataal.
Bibliografie
Corb-Rosenbaum Noam, ‘The Limburg Enigma’, The Journal of Holocaust Research, 39 (2025), 221-243.
Degens Ignace, Joodse uitwijkelingen te Limburg. Het relaas van de uitwijzing van Antwerpse vreemdelingen naar de provincie Limburg, 21 december 1940-augustus 1941, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, Vrije Universiteit Brussel, Brussel, 2003.
Rutten Mathieu, De joden en zigeuners in Limburg: bronnen en gegevens over hun aanwezigheid in Limburg tijdens de Tweede Wereldoorlog, s.n., Tongeren, 2007.
Saerens Lieven, Vreemdelingen in een Wereldstad. Een geschiedenis van Antwerpen en zijn Joodse bevolking (1880-1944), Lannoo, Tielt, 2000.
Styven Dorien & Vanden Daelen Veerle, ‘The “Antwerp specificity”. Differences in deportation numbers’, Belgisch Tijdschrift voor Nieuwste Geschiedenis, LIV (2024, 1), 8-39.









