De hoop van de christendemocratie die hij ooit was, nam Raymond De Becker al tegen het einde van de jaren dertig resoluut afstand van de democratie. Tijdens de oorlog kwam hij, met steun van de Duitse bezetter, aan het hoofd te staan van de Soir volé, om vervolgens een scherpe bocht te nemen en uiteindelijk tot ballingschap gedwongen te worden. Door de Belgische justitie ter dood veroordeeld, ontliep hij de uitvoering van het vonnis. In het buitenland vond hij opnieuw een plek in de uitgeverswereld.
Een jeugd die ondanks alles vruchtbaar was
Auteursrechten : Rechten voorbehouden
Originele legende : Raymond De Becker.
Raymond De Becker werd op 30 januari 1912 geboren in een klein burgerlijke familie met liberale sympathieën. Zijn ouders, die hem de beste kansen in het leven wilden geven, kozen ervoor hem naar het katholieke onderwijs te sturen, meer bepaald naar het Sint-Mariacollege in Schaarbeek. Daar kreeg hij een klassieke opleiding én een vurige geloofsovertuiging mee.
De plotse dood van zijn vader in 1930 dwong hem echter zijn studies vroegtijdig stop te zetten, al hield dat hem niet tegen zich verder als autodidact te vormen. Op zijn zeventiende richtte De Becker een jongerenkring uit de middenklasse, en dankzij zijn contacten wist hij die onder te brengen in de groeiende Association Catholique de la Jeunesse Belge, die toen opereerde onder het label JIC (Jeunesse Indépendante Chrétienne). Hij werd er betaald secretaris-generaal.
In die periode bouwde hij een stevig netwerk van vriendschappen uit (Henry Bauchau, José Streel, Giovanni Hoyois, Hergé…) en genoot hij de actieve sympathie van invloedrijke geestelijken, van Louis Picard tot Joseph Cardijn, met daartussen Jacques Leclercq, die hem bijzondere aandacht schonk en zijn biechtvader werd.
De Becker schreef onvermoeibaar. Hij publiceerde zijn ideeën over de inrichting van de samenleving in een hele reeks tijdschriften, waaronder L’Effort, L’Avant-Garde, Esprit, La Cité chrétienne en zelfs het anarchistische Le Rouge et le Noir. Hij droeg zelfs bij aan de oprichting van een aantal van die bladen, zij het met wisselende betrokkenheid (L’Esprit nouveau 1931–1936, Communauté in 1936, Les Cahiers politiques in 1938, mede dankzij een duwtje van Paul-Henri Spaak).
Daarnaast schreef hij begin jaren dertig twee brochures met provocerende titels die destijds breed werden verspreid: Le Christ, roi des affaires (1930) en Pour un Ordre nouveau (1932). Daarin ageerde hij zowel tegen de excessen van het handelskapitalisme als tegen de verstarring van de traditionele politieke systemen tijdens de Grote Depressie.
Ook onderhield hij losse maar regelmatige contacten met de belangrijkste vertegenwoordigers van de toen moderne katholieke denkrichtingen: het “humanisme” van Jacques Maritain en het “personalisme” van Emmanuel Mounier.
Zo gold hij als een van de meest productieve publicisten binnen het christendemocratische milieu, en hoewel hij nooit echte student was geweest, verkreeg hij tegen 1935–1936 toch een zekere uitstraling onder de Leuvense universitaire jeugd.
De ultieme erkenning van zijn aura als voorman van een progressief-katholieke jeugd kwam er met zijn deelname als vertegenwoordiger van het Leuvense L’Avant-Garde — toen uitgesproken progressief — aan de eerste bijeenkomst van het Comité de Vigilance des Intellectuels Antifascistes in juni 1935.
Een democraat? Een christen?
Toch had Raymond De Becker al tegen het einde van de jaren ’20 en het begin van de jaren ’30, in een tijd waarin de katholieke hiërarchie in België openlijk flirtte met het fascistische Italië en het Romeinse concordaat dat nog vergemakkelijkte, al uitspraken gedaan die blijk gaven van sympathie voor het Italiaanse regime. Hij zag het als een vernieuwende ervaring en als de uitdrukking van de jeugd tegenover een politiek verouderde wereld. Toen de Duce echter in conflict raakte met de Kerk, liet hij voorzichtig deze politieke lijn varen en slaagde erin zijn krachtige uitspraken te doen vergeten.
Zijn denken ontwikkelde zich vervolgens onder de spirituele invloed van de Rus Nikolaj Berdjajev; hij neigde naar mystiek en nam steeds verder afstand van de democratie. Toch bleef hij verleid door politiek engagement en voelde hij enige geestverwantschap met Paul-Henri Spaak, verdediger van een onafhankelijke politiek en van een gematigd, constructief en “nationaal-Belgisch” socialisme. Hoewel hun ideeën enigszins overeenkwamen, bleek de samenwerking van korte duur. Net als bij Hendrik De Man kwam De Becker uiteindelijk tot de conclusie dat de Belgische parlementaire democratie onveranderlijk was. Ondertussen zag hij in nazi-Duitsland een nieuwe reden tot hoop. Tegen het einde van 1938 vertrouwde hij aan enkele intimi toe dat hij het katholicisme vaarwel zei om zich tot het nationaalsocialisme te wenden.
Auteursrechten : Rechten voorbehouden
Weblegende : "Le Christ, roi des affaires", ca. 1930. Omslag geïllustreerd door Hergé.
Een “westerse” en discrete nazi
Auteursrechten : Rechten voorbehouden
Weblegende : "L'Ouest", 28/12/1939, p.1.
Eigenlijk was zijn omslag al begonnen in 1936, toen hij het “Europese” salon van het echtpaar Didier begon te bezoeken. Daar ontmoette hij jonge, keurige Duitse diplomaten, weliswaar toegewijd aan het nazisme, zoals Max Liebe of Otto Abetz. In de zomer van 1936 ging hij naar Duitsland om het Congrès International des Loisirs des Travailleurs (“Internationaal Congres voor Vrijetijdsbesteding van Werknemers”) bij te wonen. Hij keerde terug overtuigd dat het Reich het socialisme had uitgevonden waar hij van droomde.
Latere reizen naar Duitsland, tot de zomer van 1939, bevestigden zijn ideologische conversie. Hij raakte steeds meer gefascineerd door de kracht van Duitsland en zijn gemilitariseerde jeugd, waardoor hij zich nog meer isoleerde. Maar dat deerde hem niet. Meer dan ooit gehecht aan de verdediging van de Belgische neutraliteit, kreeg hij in december 1939 inhet geheim financiële steun van de Duitse ambassade om samen met vrienden het weekblad L’Ouest te lanceren, waarmee hij deze diplomatieke koers vastberaden verdedigde, vaak tegen gezond verstand of nationaal belang in.
De verovering van de "Soir volé"
Op 10 mei 1940 trok het Duitse leger België binnen. De Becker ontliep een arrestatie als “verdachte” van contacten met de Duitsers. Hij trok enkele dagen door West-Vlaanderen en de kust en keerde terug naar Brussel kort na de capitulatie van het Belgische leger. Na een (toevallige?) ontmoeting met een lid van de Duitse ambassade, accepteerde hij begin juni het voorlopig bestuur van het grote dagblad Le Soir, naar eigen zeggen om te voorkomen dat het in handen zou vallen van onwaardige (Mauromati) of onbekwame (Horace Van Offel) personen.
De legitieme eigenaresse van Le Soir, Marie-Thérèse Rossel, was het daar echter niet mee eens. De tijdsgeest in de zomer van 1940 deed haar besluiten het dagblad opnieuw uit te geven, mits de Duitse censuur beperkt bleef en de aanhangers van de “Nieuwe Orde” alleen af en toe een “Tribune” kregen om hun mening te uiten. Ze overwoog Désiré Denuit als hoofdredacteur aan te stellen. Na enkele weken van overleg beslisten de bezetters op 8 oktober 1940 in het voordeel van De Becker. Op 9 december 1940 werd hij officieel hoofdredacteur, aan het hoofd van een team van 25 fulltime redacteurs en een oplage van circa 270.000 exemplaren. Het was een machtige positie, maar daar werkte de administrateur-commissaris Willy Schraenen, een vertrouweling van de Militärverwaltung, nog steeds op de achtergrond.
De Becker bracht veel van zijn vrienden en kennissen uit de jaren ’30 binnen bij het blad, waaronder Hergé, en probeerde een resoluut “Belgicistische” lijn te behouden, maar ook een gematigde “collaboratiekoers”, tot ergernis van de extremen binnen de collaboratie. In het voorjaar van 1941 deed hij een poging om een vaag Parti unique des Provinces romanes op te richten, die onder de posities van Rex zou blijven en de aanhangers van een beschaafd, autoritair en christelijk “westers fascisme” zou verzamelen. Het zou persoonlijkheden zoals Pierre Daye, Henry Bauchau, Robert Poulet, Figeys en enkelen anderen hebben samengebracht. Maar de Militärverwaltung weigerde dit project en het stierf een vroege dood.
Enkele maanden later kwam De Becker in de politieke raad van Rex terecht. Le Soir volgde toen de algemene collaboratiedialectiek, maar voegde er af en toe een gematigder toon aan toe. In 1942 publiceerde hij, op dertigjarige leeftijd, een soort memoires onder de titel Le Livre des Vivants et des Morts, bij uitgeverij La Toison d’Or.
Auteursrechten : Rechten voorbehouden
Weblegende : "Le Soir", 31/12/1943, p.1.
Auteursrechten : voorbehouden rechten
Originele legende : JAM - , Léon DEGRELLE - Joyeux Spaak. Préface de Léon Degrelle. (Bruxelles), (Rex), s. d
Een terugslag
Gezien de evolutie van de militaire operaties nam hij vanaf november 1942 geleidelijk afstand van zijn eerdere koers. In januari 1943 gaf het luidruchtige betoog van Degrelle over de “Germanisering van de Walen”, dat leek te wijzen op het einde van de Belgische staat, hem de gelegenheid om de deur van de politieke raad van Rex achter zich dicht te slaan. Terwijl de binnenlandse politieke situatie verslechterde en de Duitse nederlagen zich opstapelden, uitte hij steeds vaker zijn bedenkingen bij de meest negatieve aspecten van de Nieuwe Orde (13 juni en 3 september 1943).
Zijn Duitse werkgevers vonden uiteindelijk dat de ‘grap’ lang genoeg had geduurd en werd hij begin oktober 1943 gedwongen het hoofdredacteurschap van Le Soir op te geven ten gunste van een van hun vertrouwelingen, Max Hodeige. Aanvankelijk werd hij in zijn woning in Genappe vastgehouden om vervolgens door de bezetter in de Beierse Alpen onder huisarrest geplaatst te worden. Dat gebeurde samen met de voormalige Franse ambassadeur André-François Poncet.
Op 8 mei 1945 werd hij door de Amerikanen bevrijd en keerde hij de volgende dag terug naar België, waar hij direct door de Belgische autoriteiten werd gearresteerd en beschuldigd van samenwerking met de vijand.
Een doodstraf
Op 24 juli 1945 werd hij door de krijgsraad van Brussel ter dood veroordeeld, maar op 14 juni 1947 werd dit vonnis omgezet in levenslange gevangenisstraf. Zijn vrienden, waaronder Henry Bauchau en Jacques Maritain, deden er alles aan om de uitvoering van het vonnis te voorkomen.
Tijdens zijn gevangenschap benutte hij zijn gedwongen vrije tijd om terug te blikken op zijn avontuur en een diepgaande overdenking te schrijven over La collaboration en Belgique (1940-1944), ou une révolution avortée. Dit werk van 79 pagina’s werd pas na zijn dood in oktober 1970, uitgegeven door het Courrier hebdomadaire van het CRISP.
Ballingschap en bijna-vergetelheid
Op 22 februari 1951 werd hij vrijgelaten “onder de voorwaarde België te verlaten”. Raymond De Becker koos eerst voor ballingschap in Zwitserland waar hij zich vestigde in Lausanne. Daar probeerde hij onder pseudoniem opnieuw van zijn pen te leven door voor de lokale pers te werken. Financieel gesteund door zijn vriend Hergé en moreel door Raymond Abellio, die zijn interesse in esoterie deelde, vond hij uiteindelijk een onderkomen in Frankrijk. Dankzij Louis Pauwels, een Belgische landgenoot kon hij werken bij de Éditions Planète. Daar publiceerde hij verschillende bijdragen, onder meer over de psychologie van het onbewuste, oosterse religies, dromen en homoseksualiteit.
In 1957 liet hij opnieuw van zich spreken. Artikel 123sexies van het Belgische strafwetboek belemmerde hem om onder eigen naam te publiceren, waarop hij een rechtszaak aanspande tegen de Belgische staat bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg. Met de invoering op 30 juni 1961 van de “Wet-Vermeylen” werd dit artikel 123sexies gewijzigd.
Raymond De Becker stierf plotseling op 18 april 1969 in Versailles, op 57-jarige leeftijd. Had hij zelf een einde aan zijn leven gemaakt of overleed hij aan een hartstilstand? Het mysterie bleef bestaan.
Auteursrechten : Rechten voorbehouden
Originele legende : Bauchau Henri, fondateur des Volontaires du travail
Bibliografie
Dard, Olivier, Deschamps, Étienne & Geneviève Duchenne (dir.). 2013. Raymond De Becker (1912-1969). Itinéraire et facettes d’un intellectuel réprouvé. Brussel: Peter Lang.
De Bruyne, Eddy. 2016. Encyclopédie de l’Occupation, de la collaboration et de l’ordre nouveau en Belgique francophone (1940-1945). La Roche-en-Ardenne: Segnia.
Watthée-Delmotte, Myriam. 2002. Bauchau avant Bauchau. En amont de l’œuvre littéraire. Louvain-la-Neuve: Bruylant-Academia.









