België in oorlog / Artikels

Jodenvervolging in België na 1945: Herinnering en onderzoek

Thema - Jodenvervolging - Herinnering

Auteur : Vanden Daelen Veerle (Instelling : Kazerne Dossin)

Om deze pagina te citeren

In de onmiddellijke nasleep van de Tweede Wereldoorlog was er in België weinig tot geen specifieke aandacht voor het lot van de Joden. De nationale herinnering focuste zich op het verzet, op de politieke gevangenen en op Belgisch patriottisme. De Jodenvervolging, de Holocaust, werd gezien als slechts één van de vele tragedies van de bezetting. Hoe is België geëvolueerd van deze naoorlogse stilte naar een actieve herdenkingscultuur en diepgaand historisch onderzoek? Waar staan we vandaag?

De naoorlogse stilte en interne herdenking (1945 - 1960)

Toen de weinige kampoverlevenden terugkeerden naar België, vonden zij een samenleving die vooral bezig was met heropbouw en de bestraffing van collaborateurs (de naoorlogse repressie). Bij herdenkingen werden verzetsmensen gehuldigd. Als ze al aan bod kwamen, werden Joodse slachtoffers mee onder de algemene noemer 'politieke gevangenen' herdacht, ook al zouden velen wegens het ontbreken van de Belgische nationaliteit deze erkenning niet krijgen. Het Joodse monument op de Nationale Schietbaan (Tir National) in Schaarbeek en de herdenkingsplaat voor verzetsheldin Mala Zimetbaum aan haar woning in de Marinisstraat in Borgerhout in respectievelijk 1945 en 1946 passen in dit plaatje. Ook het gegeven dat Breendonk wel meteen in het collectief geheugen gegrift wordt, illustreert dit onevenwicht. Degenen die Joden hadden geholpen tijdens de oorlog werden wel geëerd en publiek erkend. Op 5 mei 1946 organiseerde de Conseil des Associations Juives de Belgique bijvoorbeeld een gala in het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten om uiting te geven aan hun dankbaarheid jegens de Belgische bevolking in het algemeen en voor Koningin Elisabeth in het bijzonder.

Het specifieke lot van Joodse slachtoffers – vervolgd en vermoord worden om wie ze waren, niet om wat ze deden – werd niet als uniek erkend door de Belgische staat. Veel Joodse kampoverlevenden zouden hun verdere leven ook niet in België inrichten en kozen ervoor hun toekomst elders op te bouwen. Tegelijkertijd telde België ook een aanzienlijk aantal Joodse overlevenden die niet gedeporteerd waren en de oorlog in de onderduik of op een veilige plek in het buitenland overleefd hadden. De overlevende Joden die veel of al hun naasten en bezittingen kwijt waren, dienden hun leven van nul herop te bouwen, fysiek en emotioneel getekend. Naar hun wedervaren was weinig oor. Enkel diegenen die in de Dossinkazerne opgesloten waren en aan de deportatie ontsnapt waren, lieten van zich horen en organiseerden de eerste herdenkingen en gedenkplaten.

Dossinbedevaart
Instelling : Kazerne Dossin
Collectie : Collectie Ch. Nobels
Auteursrechten : Alle rechten voorbehouden
Weblegende : Deelnemers aan de bedevaart eren de gedeporteerden bij het monument vooraan de Dossinkazerne, Mechelen, zonder datum [eind jaren '50].
Mala Zimetbaum
Instelling : Kazerne Dossin
Collectie : Collectie Dora Lipszyc
Auteursrechten : Alle rechten voorbehouden
Weblegende : Deelnemers aan de plechtigheid bij de plaatsing van de herdenkingsplaquette voor Mala Zimetbaum in Antwerpen, 1946

De herinnering aan de Shoah werd aanvankelijk uitsluitend gedragen door en binnen de Joodse gemeenschap zelf. Velen zagen het doorgeven van Joodse tradities en religieuze gebruiken, zeker aan de kinderen en jeugd, als een soort eerbetoon of monument voor diegenen die vermoord waren. Joodse overlevenden en nabestaanden verenigden zich in organisaties, niet alleen om hun doden te eren, maar vaak eerst en vooral om erkenning en rechtsherstel te verkrijgen voor het hun aangedane leed, hun verblijf te legaliseren en te ontkomen aan discriminerende maatregelen omwille van hun nationaliteit (dat was vooral het geval voor Joden met de Duitse nationaliteit). Deze erkenning als slachtoffer was ook een voorwaarde om tot een breder gedragen erkenning en herdenkingscultuur te komen. Voor de slachtoffers zelf was het zelfs een conditio sine qua non om tot herinnering te komen. Botweg gesteld: je begint niet met het oprichten van een gedenkplaat of monument als je (nog) geen dak boven je hoofd hebt, zware fysieke en psychische problemen hebt en in precaire financiële omstandigheden moet zien te overleven.

Het was de Association des anciens Détenus de la Caserne Dossin (ADM, “Vereniging van oud-gevangenen van de Dossinkazerne”), opgericht in januari 1945, die de eerste monumenten voor alle Joodse slachtoffers inhuldigde. De stichtende leden van deze organisatie bestond uit mensen die elk voor kortere of langere tijd in de Dossinkazerne opgesloten hadden gezeten. Geen van hen was gedeporteerd (de bestemming van de meeste deportatietreinen uit Dossin, Auschwitz-Birkenau werd bevrijd op 27 januari 1945, de rapatriatie van de weinig overlevenden gebeurde voornamelijk in de lente van 1945). Wat nationaliteit betreft - 6% van de geregistreerde Joodse bevolking in België had de Belgische nationaliteit - waren ze evenmin representatief: vijf van de zeven stichtende leden hadden de Belgische nationaliteit, de twee anderen hadden de Poolse nationaliteit.

Al op 23 december 1945 organiseerde de vereniging een gala-avond om het Belgische verzet te eren. Daarbij kregen Koningin Elisabeth, Kardinaal Van Roey en Monseigneur Kerkhofs, de bisschop van Luik, erkenningsmedailles voor hun hulp aan Joden tijdens de bezetting. Op 28 september 1947 vond, opnieuw in aanwezigheid van Koningin Elisabeth en vele prominenten, de inhuldiging plaats van een monument voor de Joodse slachtoffers op de begraafplaats Etterbeek (Het zou op 1 september 1971 verhuisd worden naar de begraafplaats van Kraainem). Nog geen jaar later, onthulde dezelfde organisatie - intussen sinds maart 1948 van naam veranderd van ADM naar Le Souvenir juif en Belgique - een herdenkingplaat aan de Dossinkazerne te Mechelen. Hoewel bijgewoond door de Minister van Volksgezondheid, Alfons Verbiest, burgemeester van Mechelen, Antoon Spinoy, militaire autoriteiten en een vertegenwoordiger van de Prins-Regent, had de plechtigheid van 30 mei 1948 een veel minder grote opkomst en luister dan deze in Etterbeek.

Sinds 1957 vindt jaarlijks een bedevaart plaats aan de Dossinkazerne om de van hieruit gedeporteerde mannen, vrouwen en kinderen te herdenken. De plechtigheid wordt georganiseerd door de Vereniging van Joodse Weggevoerden en Rechthebbenden in België. Deze organisatie werd in 1953 opgericht en drie jaar later geregistreerd in het kader van de Duitse herstelbetalingen en volgt dus het stramien van “eerst erkenning van het slachtofferschap, dan herinnering en herdenking”. 

Op 19 april 1970 werd het Nationaal Monument voor de Joodse Martelaren van België ingehuldigd in Anderlecht. Hoewel aanvankelijk opgericht met de idee om dagelijks toegankelijk te zijn, diende het echter afgesloten te worden om vandalisme tegen te gaan, waardoor het in se meer een intern Joods monument werd.

Dat de herdenking van de Joodse slachtoffers door de Joodse gemeenschap in eerste instantie een interne aangelegenheid was, van Joden voor Joden, blijkt ook uit de andere gedenkplaten en monumenten die tot eind jaren 1980 in België geplaatst werden. Slechts zes van de 36 van hen waren zichtbaar vanop de straat. Veertien bevonden zich in afgesloten buitenlocaties zoals Joodse begraafplaatsen, twee waren reeds weggehaald en nog eens veertien bevonden zich in gebouwen (zoals synagogen, diamantbeurzen, Joodse gemeenschapsgebouwen, kinder- en ouderlingentehuizen) en kunnen dus enkel gezien worden als die gebouwen opengesteld worden voor bezoekers.

De herinneringsboodschap was dus in eerste instantie geadresseerd aan de slachtoffergemeenschap, de Joodse gemeenschap zelf. Met het grootste aantal van deze 36 monumenten en gedenkplaten opgericht in de onmiddellijke naoorlogse periode - 14 van de 36 waren ingehuldigd in de periode 1945-1950 - geeft ook meteen aan dat er geen sprake was van “stilte” over de Shoah binnen de Joodse gemeenschap. Deze was er wel, en oorverdovend sterk, in de bredere samenleving.

Het stilaan ontwaken van een breder maatschappelijk bewustzijn en het pionierswerk van Steinberg (Jaren '60 - '80)

De internationale context speelde een cruciale rol in de verschuiving van de herinneringscultuur in België. Het proces tegen Adolf Eichmann in Jeruzalem (1961) en de uitzending van de Amerikaanse televisiereeks Holocaust (1978) brachten de specificiteit van de Jodenuitroeiing de Belgische huiskamers binnen. Met de oorlogsdocumentaires van journalist Maurice De Wilde en De laatste getuigen van historicus Lukas Vander Taelen volgde in de jaren 1980 en 1990 een specifieke focus op het Belgische verhaal. Ook de opkomst van negationisme dwong de samenleving om de historische feiten harder te verdedigen.

Toch bleef het wachten op een breed gedragen herdenkingscultuur en wetenschappelijk onderzoek naar de Jodenvervolging in België. Ondanks het feit dat het echte academische onderzoek naar de Holocaust internationaal op gang kwam na het Eichmann-proces en vooral in de jaren 1970 en zeker 1980, bleef het onderwerp decennialang een blinde vlek aan de Belgische universiteiten. Ook vroege getuigenissen zoals deze van Jos Hakker en van Hélène Beer, respectievelijk De geheimzinnige Kazerne Dossin in Mechelen en Salle 1, vonden weinig tot geen weerklank.

Dat had deels te maken met de bredere Belgische context: waar de Nederlandse Noorderburen reeds in 1945 een onderzoekscentrum oprichten over de Tweede Wereldoorlog (het huidige NIOD), dan is het in België wachten tot 1967 voor de oprichting van wat vandaag het CegeSoma is. Het in 1959 in Brussel gestichte universitaire Joods onderzoekscentrum Centre National des Hautes Etudes Juives (“Nationaal Centrum voor Hoge Joodse Studies”), gaf wel onderzoeksopdrachten. Die resulteerden in de (omstreden) studie van sociologe Betty Garfinkels Les Belges face à la persécution raciale 1940-1944 (“Belgen en de raciale vervolging 1940-1944”) in 1965 en Lucien Steinberg’s Le Comité de Défense des Juifs en Belgique (“Het Comité ter Verdediging van Joden in België”) in 1973. Eerstgenoemde paste in de verheerlijking van de omstaanders die Joden geholpen hadden in de oorlog. Daarnaast was de Joodse bevolking in België relatief klein geweest in vergelijking met Joodse gemeenschappen in andere landen onder het nazi-regime waardoor de grotere getroffen gemeenschappen eerder onderzoeksaandacht kregen. Ook vormden taalbarrières hindernissen om de academische interesse voor het onderwerp te wekken.

De Geheimzinnige Kazerne Dossin
Auteur : Jos Hakker
Auteursrechten : Alle rechten voorbehouden
Weblegende : "De Geheimzinnige Kazerne Dossin. Deportatiekamp der Joden" (1944) door Jos Hakker.

De geschiedschrijving over de Shoah kwam pas in de jaren 1980 echt op gang en dan nog wel op individueel initiatief aan de marge van de universitaire wereld, eerder dan ontsproten en ingebed in een academisch instituut. Maxime Steinberg, zelf een Joods ondergedoken kind en grootste baanbreker voor dit onderzoek, publiceerde tussen 1983 en 1986 zijn revolutionaire, meerdelige studie L'Étoile et le Fusil (“De ster en het geweer”). Als freelance onderzoeker bracht Steinberg als eerste het mechanisme van de uitroeiing in België gedetailleerd in kaart en toonde aan hoe de Duitse bezetter de Joden identificeerde, isoleerde en deporteerde.

Samen met de bekende Frans-Joodse onderzoeker Serge Klarsfeld publiceerde Steinberg het Mémorial de la déportation des Juifs de Belgique (“Monument ter nagedachtenis aan de deportatie van Joden uit België”) (1982), een namenlijst van de gedeporteerden vanuit de Mechelse Dossinkazerne. Voor het eerst kon het brede publiek alle namen van de Mechelen gedeporteerden en de grootte van het drama dat zich in de Dossinkazerne afspeelde vatten, zowel wat historisch narratief als wat de slachtoffers betrof.

Maar het onderzoek bleef al bij al vrij beperkt. Wanneer Dan Michman in de jaren 1980 aan Yad Vashem vroeg om een volume over België te schrijven in de serie The History of the Holocaust, stelde hij vast dat behalve Steinberg niemand echt met het onderzoek bezig was en dat er geen gepubliceerde werken voorhanden waren om dit overzichtswerk op te baseren. Een congres over dit onderwerp diende nieuw onderzoek bij zowel gevestigde als jonge onderzoekers te stimuleren. The Holocaust Period in Belgium vond plaats aan de Bar-Ilan University in Ramat Gan van 29 mei tot 1 juni 1989 en resulteerde in twee publicaties, Les Juifs de Belgique. De l’immigration au génocide, 1925-1945 in 1994 en Belgium and the Holocaust. Jews, Belgians, Germans in 1998. 

Van vergetelheid naar officiële erkenning en staatsonderzoek (Jaren '90 tot nu)

De geschiedenis van de Shoah is vandaag onlosmakelijk verbonden met de Dossinkazerne in Mechelen, de verzamelplaats van waaruit 25.490 Joden en 353 Roma en Sinti werden gedeporteerd, voornamelijk naar Auschwitz-Birkenau. Echter, na de oorlog belandde de oorlogsgeschiedenis van de kazerne ondanks de herdenkingsplaat op de buitenmuur en de jaarlijkse bedevaart voor het grote publiek in de vergetelheid. Gedurende meerdere decennia na de oorlog had de kazerne opnieuw een militaire functie of stonden delen ervan leeg.

In 1986 werd een monument met zes stukken spoorstaven ingehuldigd, ter hoogte van de gedenkplaat aan de gevel die er sinds 1948 hing. De aanleiding voor dit monument was dat door de aanleg van de ring rond Mechelen de spoorlijn die naast de kazerne liep uitgebroken en verwijderd werd. Zes van deze spoorstaven werden gerecupereerd om het monument te maken van zes ongelijke staven die de ongeveer 6 miljoen Joodse slachtoffers symboliseerden.

Op 11 november 1996 opende in de voorvleugel van het gebouw het Joods Museum van Deportatie en Verzet. Duizenden bezoekers, voornamelijk scholieren, bezochten het kleine museum op de historische lieu de mémoire. Het kleine museum barstte uit haar voegen. Een combinatie van groter wordend besef over de Shoah en de opkomst van extreem-rechts in Vlaanderen zorgden voor het momentum waaruit het huidige Kazerne Dossin: Memoriaal, Museum en Onderzoekscentrum over Holocaust en Mensenrechten zou ontstaan.

In november 2012 opende aan de overzijde van het historische gebouw een volledig nieuw groot museum met een uitgebreide permanente tentoonstelling. In combinatie met een memoriaal en archief en onderzoekscentrum in het historische gebouw betekent dit een definitieve institutionalisering van de Holocaustherinnering in België.

Op initiatief van het Forum van Joodse Organisaties staat in Antwerpen sinds 1997 een herdenkingsmonument voor de Joodse slachtoffers op de middenberm van de Belgiëlei, aan de hoek van de Mercatorstraat, recht tegenover de treinsporen. Sindsdien wordt ook daar een jaarlijkse herdenkingsplechtigheid gehouden.

Stolperstein
Instelling : Auschwitz Foundation
Auteursrechten : Alle rechten voorbehouden
Originele legende : Struikelsteen Icyk Perelsztajn, Hoogstraat, 96.

In 2007 werden de eerste struikelstenen in België geplaatst. Dit project van de Duitse kunstenaar Gunter Demnig zorgt voor lokale herinneringsmonumenten die de oorlog op mensenmaat brengt: één steen voor één slachtoffer, een slachtoffer dat bij naam en voornaam genoemd wordt, een slachtoffer wiens naam in steen gebeiteld gezien en herinnerd kan worden door al wie er voorbij wandelt.

Parallel met deze ontwikkelingen in het herinnerings- en herdenkingslandschap vonden ook grote verschuivingen plaats in het onderzoek over de Jodenvervolging. De focus verschoof van de Duitse daders naar de rol van de Belgische overheden (burgemeesters, politie, administratie). Van 1997 tot en met 2001 werkte de Studiecommissie Buysse I aan onderzoek over wat er gebeurd was met bezittingen van Joodse burgers tijdens de Tweede Wereldoorlog. Haar rapport uit 2001 leidde vervolgens tot de oprichting van de zogenoemde Commissie Buysse II, die zich richtte op de schadeloosstelling van individuele slachtoffers of hun erfgenamen en die actief was van 2001 tot en met 2008.

Een nieuwe pioniersstudie met grote impact was de publicatie van het doctoraat van onderzoeker Lieven Saerens Vreemdelingen in een wereldstad in 2000. Saerens schetste daarin een gedetailleerd beeld van Antwerpen en haar Joodse bevolking van 1880 tot en met 1944, met een grondige analyse van een groeiende Joodse gemeenschap en een dito groeiend antisemitisme.

Een onderzoeksproject onder leiding van Jean-Philippe Schreiber en Rudi Van Doorslaer resulteerde in 2004 in de publicatie van het boek De curatoren van het ghetto: De Vereniging van de Joden in België tijdens de nazi-bezetting.

In 2007 publiceerde het CegeSoma de resultaten van haar onderzoeksrapport in opdracht van de Belgische Senaat over de betrokkenheid van de Belgische autoriteiten bij de Jodenvervolging onder de titel Gewillig België. De conclusie was hard: de Belgische overheden hadden een 'volgzame' houding aangenomen, wat de deportaties aanzienlijk had vergemakkelijkt. Het onderzoek leidde tot officiële excuses. In 2012 verontschuldigde toenmalig premier Elio Di Rupo zich namens de Belgische staat voor de medeplichtigheid van de nationale autoriteiten bij de deportaties. Latere burgemeesters van steden als Antwerpen en Brussel deden hetzelfde voor de rol van hun lokale politiekorpsen bij de razzia's.

De Duitse historica Insa Meinen publiceerde in 2009 dan weer haar onderzoek naar de Shoah in België met vooral aandacht voor de Duitse bezetter zelf en zijn verantwoordelijkheden in de Jodenvervolging en genocide. Een laatste te melden onderzoek met betrekking tot de rol van de overheden, betreft het boek Bezet bedrijf van Nico Wouters. Opnieuw als overheidsopdracht aan CegeSoma onderzocht haar directeur, Nico Wouters de rol van de NMBS in de deportaties tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Voor een eerste uitvoerige studie over het verzamelkamp voor Joden, Sinti en Roma in de Dossinkazerne, was het wachten tot de publicatie van Dossin, wachtkamer van Auschwitz, van de hand van Laurence Schram in 2017. Een groeiend bewustzijn voor de naoorlogse periode had tegen die tijd al geleid tot twee boekpublicaties: Bâtir le lendemain. L’Aide aux Israélites Victimes de la Guerre et le Service Social Juif de 1944 à nos jours van Catherine Massange en Laten we hun lied verder zingen. De heropbouw van de Joodse gemeenschap in Antwerpen na de Tweede Wereldoorlog (1944-1960) van Veerle Vanden Daelen.

Recent onderzoek van Janiv Stamberger en Dorien Styven focust dan weer op Joods verzet. Veel deelonderwerpen, zoals de verplichte tewerkstelling van Joodse mannen uit België in Noord-Frankrijk, het Joods Verdedigingscomité, de Vereniging van Joden in België, worden intussen onderzocht en uitgewerkt. De puzzelstukjes worden zoveel decennia na de feiten stilaan bij elkaar gelegd, en onderzoekers worden zich daarbij ook bewust van de intussen verloren puzzelstukken én diegenen die alsnog teruggevonden worden.

Sinti en Roma: Een nog meer vergeten groep raciaal gedeporteerden

In het kader van deze bijdrage is het ook belangrijk om ook stil te staan bij de herdenking en het onderzoek betreffende een tweede groep die omwille van raciale redenen door de nazi’s werd weggevoerd. Het lot van de 353 uit de Dossinkazerne gedeporteerde Sinti en Roma werd nog veel langere tijd vergeten in de herdenking van de Tweede Wereldoorlog.

Het was de historicus, José Gotovitch, zelf een voormalig ondergedoken kind, die in 1976 als eerste een artikel wijdde aan de uitroeiing van Sinti en Roma uit België. De eerste gedenkplaat voor Sinti en Roma werd pas op 3 juni 1995 ingehuldigd en dat op initiatief van het Vlaams Overleg Woonwagenwerk, het Centraal Israëlitisch Consistorie van België, de Vereniging van Joodse Weggevoerden (Union des Déportés juifs) en door Natan Ramet, stichter van het Joods Museum van Deportatie en Verzet.

Pas in 2018 verscheen een eerste uitgebreide studie over de uit Mechelen gedeporteerde Sinti en Roma in het Franstalige boek Des Tsiganes vers Auschwitz. Le convoi Z du 15 janvier 1944. De auteur, de Franse leerkracht Monique Heddebaut, werkte net zoals Maxime Steinberg in de marges van academia.

Kazerne Dossin
Instelling : Kazerne Dossin
Collectie : Collectie JMDV
Auteursrechten : Alle rechten voorbehouden
Weblegende : Een foto van de voorgevel van de Dossinkazerne met links het monument van de Joodse gedeporteerden, en rechts het gedenkteken voor de Sinti en Roma-slachtoffers, Mechelen, 1997.

Conclusie

De evolutie van herinnering en onderzoek naar de Jodenvervolging in België is een reis van stilte naar erkenning, van een private, interne overlevingsgerichte sfeer naar een integraal deel van de Belgische nationale herinnering. Waar het lot van de Joden kort na de Tweede Wereldoorlog gemarginaliseerd werd in de nationale geschiedschrijving, vormt het vandaag een van de beter onderzochte en prominent herdachte facetten van de Belgische oorlogsgeschiedenis.

Dit is te danken aan de onvermoeibare inzet van nabestaanden, de moed van academische pioniers en de bereidheid van de staat om uiteindelijk de donkerste pagina's uit haar geschiedenis onder ogen te zien. Voor Sinti en Roma is nog een lange, moeilijke weg te gaan, maar er zijn wel meer en meer initiatieven die allen kunnen bijdragen tot een grotere sensibilisering en maatschappelijke aandacht voor alle raciaal gedeporteerden uit België tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Herinnering en onderzoek evolueerden van een meer “gesloten” binnenshuise herinnering naar “publieke herinnering”, met zichtbare publieke monumenten in de openbare ruimte en ruime aandacht voor de Holocaust bij een breed publiek.

Bibliografie

Bruno Benvindo & Evert Peeters, Scherven van de oorlog. De strijd om de herinnering aan WO II. Antwerpen: De Bezige Bij/CegeSoma, 2011.

Daniel Dratwa, “Genocide and Its Memories: A Preliminary Study on How Belgian Jewry Coped with the Results of the Holocaust”, in: Dan Michman (red.), Belgium and the Holocaust. Jews, Belgians, Germans. Jerusalem: Yad Vashem, 1998, p. 523-557.

José Gotovitch, "Enkele gegevens betreffende de uitroeing van de zigeuners uit België" in Bijdragen tot de Gestidenis van de Tweede Wereldoorlog, IV, 1976, 1, artikel_gotovitch_1976_1.pdf

Lieven Saerens, “Van vergeten naar gegeerd. Dossin en de Joodse herinnering”, Belgisch Tijdschrift voor Nieuwste Geschiedenis, XLII (2-3), 2012, 138-169.

Eva Smets, De collectieve herinnering aan nazi-genocide in het Joods en Belgisch-nationaal discours, 1944-1951. Ontuitgegeven licentiaatsverhandeling. Brussel: VUB, 2001.

Veerle Vanden Daelen, “Heropbouw en herinnering in de Joodse gemeenschap te Antwerpen”, Bijdragen tot de eigentijdse Herinnering, XI (2014), p. 127-155.

Externe bronnen

Zie ook

bso-97-j-bourgeois.jpg Artikels Jodenvervolging (De) onder de Duitse bezetting Schram Laurence
JVC Artikels Joods Verdedigingscomité Styven Dorien
254191 Artikels Herinnering Kesteloot Chantal
Arrivée des Juifs Artikels Kazerne Dossin, verzamelkamp voor Joden en Zigeuners Schram Laurence
Etoiles de David non découpées Artikels Joodse bevolking na de Bevrijding (De) Vanden Daelen Veerle
Om deze pagina te citeren
Jodenvervolging in België na 1945: Herinnering en onderzoek
Auteur : Vanden Daelen Veerle (Instelling : Kazerne Dossin)
https://www.belgiumwwii.be/nl/belgie-in-oorlog/artikels/jodenvervolging-in-belgie-na-1945-herinnering-en-onderzoek.html