De bevrijding van een groot deel van België in september 1944 betekende voor de Joodse bevolking geenszins een onmiddellijke terugkeer naar een normaal leven. Terwijl de meerderheid van de Belgische bevolking uitzinnig van vreugde de straat op trok om de geallieerden te verwelkomen, kende de Joodse gemeenschap een heel andere realiteit. Het einde van de oorlog was voor hen tegelijk ook het begin van een periode vol rouw, onzekerheid en immense praktische problemen. Léon Gronowski, die de oorlog in Brussel overleefde, vatte dit bittere contrast op 3 september 1944 treffend samen in zijn dagboek : “Iedereen omhelst elkaar, het is echt feest [...] ik voel nog geen bevrijding; ik ben ongelukkig en teneergedrukt [...] mijn naasten zijn nog in het kamp”.
Dit overzichtsartikel belicht de complexe geschiedenis van de Joodse bevolking in België in het eerste jaar na de bevrijding, een periode getekend door de nasleep van de deportaties, administratieve obstakels, materiële beroving en de moeizame heropbouw van het Joodse leven.
Collectie : Collectie Simon Gronowski
Auteursrechten : Alle rechten voorbehouden
Weblegende : Passage uit het dagboek van Léon Gronowski in het Yiddish.
Collectie : Collectie familie Kenis
Auteursrechten : Alle rechten voorbehouden
Weblegende : Geallieerde tanks rijden Antwerpen na de Bevrijding binnen.
De bevrijding van het grondgebied en de kampen
De bevrijding van België verliep in een hoog tempo. Brussel werd op 3 september 1944 bevrijd, gevolgd door Antwerpen op 4 september en Luik op 7 september. Het betekende echter niet dat de oorlog definitief voorbij was. Antwerpen, de stad waar voor de oorlog de grootste Joodse gemeenschap van België woonde, werd bijvoorbeeld nog maandenlang zwaar geteisterd door dodelijke V1’s en V2’s.
Met de opmars van de geallieerden in België werden begin september 1944 ook het kamp Breendonk en de Dossinkazerne bevrijd, maar de publieke perceptie hiervan was zeer verschillend. Het concentratiekamp Breendonk kreeg onmiddellijk uitgebreide aandacht in de nationale en internationale pers. De site werd al snel het nationale symbool voor de nazi-gruwelen en het "nationaal martelaarschap".
De bevrijding van de Dossinkazerne in Mechelen – het verzamelkamp van waaruit meer dan 25.000 Joden en ruim 350 Roma en Sinti waren gedeporteerd – bleef daarentegen een non-event. In de nacht van 3 op 4 september 1944 ontvluchtten de SS-bewakers in paniek de kazerne, en lieten ongeveer 550 Joden onbewaakt achter. Er was geen heroïsche bevrijding door de geallieerden; de gevangenen openden zelf de poorten van het kampen stonden, na een moment van vreugde, al snel voor de harde realiteit dat de meesten onder hen geen thuis meer hadden om naar terug te keren. Hun verhaal en wedervaren werd omzeggens niet gehoord in het naoorlogse narratief. Ook de historische site belandde in de vergetelheid.
Zo werden er van september 1944 tot april 1946 van collaboratie verdachte Belgen opgesloten, waarna het gebouw vanaf 1948 tot 1975 dienst deed als militaire school voor administratie en financiën, beheerd door het Belgisch leger. Het is zelfs zo dat sommige Joodse miliciens hun legerdienst in de kazerne deden.
Hoewel op 30 mei 1948 een gedenkplaat voor de Joodse gedeporteerden aan de kazerne werd aangebracht, kwam een gelijkaardige erkenning voor de gedeporteerde Sinti en Roma er pas in 1995. Daarbovenop opende het eerste museum op deze historische plek pas in 1996 de deuren voor het grote publiek. Het enige SS-verzamelkamp voor Joden, Sinti en Roma op Belgische bodem kreeg zo decennialang geen aandacht in de Belgische samenleving.
De chronologische kloof en de demografische tol
Collectie : Collectie Tobias Schiff
Auteursrechten : Alle rechten voorbehouden
Originele legende : Foto Tobias Schiff en Salomon Klagsbald, terugkeer in Antwerpen eind april 1945.
Een ander cruciaal en pijnlijk aspect van de bevrijding was de timing van de bevrijding van België en van de plekken waarheen Joden gedeporteerd waren: terwijl België in september 1944 vrij was, bleven de concentratiekampen in het Oosten nog maandenlang onder nazi-bewind. Auschwitz-Birkenau, het eindstation voor bijna alle deportatietreinen uit de Dossinkazerne, werd pas op 27 januari 1945 door de Sovjets bevrijd.
Vele van de kampbewoners waren echter net daarvoor door de nazi’s op dodenmars gedwongen naar kampen verder verwijderd van de geallieerde opmars. De weinige gevangenen die deze tochten overleefden, werden bijgevolg nog later bevrijd. Kampen zoals Buchenwald, Bergen-Belsen en Dachau werden immers pas in april 1945 door de geallieerden ontzet.
In de herfst van 1944 tasten de Joden in België bijgevolg nog volledig in het duister over het lot van hun gedeporteerde geliefden. Velen hoopten vurig op hun terugkeer en gebruikten steevast de term "nog niet teruggekeerd" wanneer ze bij de politie aangifte deden van collaboratie of spionage. Pas toen de eerste overlevenden vanaf maart 1945 naar België werden gerepatrieerd, begon de gruwelijke waarheid door te dringen. Deze terugkeerders arriveerden vaak nog gehuld in hun gestreepte kampkleding of militaire jassen, zwaar ziek en getraumatiseerd.
De verhalen die zij meebrachten over de gaskamers, de medische experimenten en de dodenmarsen deden de hoop op de terugkeer van geliefden onder de achterblijvers wankelen en stilaan definitief verdwijnen. Van de 25.843 gedeporteerden uit Mechelen zouden er uiteindelijk slechts ongeveer 1.400 de kampen overleven, naast ongeveer 350 die uit de deportatietreinen ontsnapt waren. Geleidelijk veranderde het taalgebruik binnen de gemeenschap van "nog niet teruggekeerd" naar "niet teruggekeerd".
Eind 1945 werd de demografische balans opgemaakt. Van de vooroorlogse Joodse bevolking van ongeveer 70.000 personen bevonden zich er nog ongeveer 30.000 in België. 18.000 van die 30.000 hadden de oorlog in België overleefd, het merendeel in de onderduik. Ongeveer 8.000 Joden waren tegen eind 1945 reeds teruggekeerd uit een veilige plek in het buitenland, zoals Zwitserland, het VK of de VS. Tenslotte waren er de gerepatrieerde kampoverlevenden en een nieuwe groep van "Displaced Persons" die weigerden of niet konden terugkeren naar hun Oost-Europese thuislanden.
Materiële ruïne en administratieve discriminatie
Hoewel de anti-Joodse wetten en de raciale vervolging met de bevrijding ophielden, was het voor de slachtoffers nog lang niet gedaan met de ellende. De gevolgen van de oorlogsjaren - de onteigeningen, jobverlies, schoolachterstand en de afwezigheid uit het dagelijks leven - zouden nog een grote tol eisen van de overlevenden. Antisemitische tendensen in de bevolking verdwenen niet van vandaag op morgen en begrip of medeleven voor het geleden leed was geenszins vanzelfsprekend.
Auteursrechten : Alle rechten voorbehouden
Weblegende : Op 14 april 1941 werd de synagoge aan de Van den Nestlei vernield.
De overlevenden zagen zich geconfronteerd met immense praktische en materiële problemen. Vrijwel iedereen was beroofd van zijn bezittingen. Via de zogenaamde Möbelaktion hadden de nazi's Joodse huizen systematisch leeggehaald en de inboedels naar Duitsland verscheept ter compensatie van door geallieerde bommen getroffen Duitse burgers. Hetzelfde gold voor Joodse instellingen; Joodse scholen hadden geen lesmateriaal of meubilair meer, de synagogen in Antwerpen waren door de bezetter leeggeplunderd of gehavend door het oorlogsgeweld. Verlaten panden werden zowel tijdens de oorlog als na de bevrijding geplunderd.
De meeste Joden in België huurden hun huis, maar Joodse vastgoedeigendommen waren tijdens de oorlog vaak in beslag genomen en werden gebruikt door anderen bij de terugkeer van de eigenaars. Gehuurde huizen en appartementen van Joden waren veelal toegewezen aan nieuwe huurders. Hoewel een besluitwet van maart 1945 voorzag in de mogelijkheid voor huurders om hun panden terug te vorderen, draaide dit in de praktijk vaak uit op lange, pijnlijke juridische procedures waarbij rechters soms weigerden de Joodse eisers in het gelijk te stellen. Ook de recuperatie van verstopte waardevolle zaken of goederen die bij niet-Joodse buren of vrienden in bewaring waren gegeven (de zogenaamde 'bewariërs'), verliep stroef. Velen ontkenden de goederen ooit te hebben ontvangen, of eisten bewijs dat onmogelijk te leveren was.
Het verlies van gereedschap en machines maakte de economische heropstart voor Joodse arbeiders en ambachtslieden vrijwel onmogelijk. Velen zaten financieel volledig aan de grond. En voor velen was hun fysieke en psychische situatie dermate dramatisch dat zij voor lange tijd of de rest van hun leven niet meer in staat waren om op eigen benen te staan. Psychologische hulp bij het verwerken van de onnoemelijke trauma’s was vrijwel onbestaande.
Een van de meest bittere paradoxen van de bevrijding was de administratieve uitsluiting en discriminatie door de Belgische staat. Nauwelijks tien procent van de Joden in België bezat de Belgische nationaliteit. De meesten waren Poolse, Duitse of Oostenrijkse staatsburgers die tijdens de oorlog door de nazi’s van hun nationaliteit waren beroofd. Hierdoor werden de meesten – hoewel ze het slachtoffer waren van specifieke nazi-vervolging – uitgesloten van de voordelen en pensioenen die vasthingen aan het statuut van "politiek gevangene".
Voor Joden met een zogenoemde “vijandelijke nationaliteit”, in hoofdzaak Duitse en Oostenrijkse Joden, was de situatie nog schrijnender. Zij werden door de Belgische overheid direct na de bevrijding op basis van hun (opnieuw teruggekregen) nationaliteit als "vijandelijke onderdanen" bestempeld. Dit leidde ertoe dat hun rekeningen werden geblokkeerd, hun goederen onder sekwester werden geplaatst, en sommigen zelfs door de politie werden gearresteerd en geïnterneerd in kampen.
Hoewel burgemeester Camille Huysmans in Antwerpen trachtte in te grijpen en zijn politie de opdracht gaf deze Joodse vluchtelingen niet te arresteren, bleef de wettelijke blokkering van hun goederen nog jarenlang een onoverkomelijk obstakel voor hun economische herintegratie. In december 1944 werd COREF opgericht, het Comité Israélite des Réfugiés Victimes des Lois Raciales, dat hulp moest bieden bij het verlichten van het specifieke en moeilijke lot van deze Joden. Samen met de Aide aux Israélites Victimes de la Guerre (AIVG, zie verder), zet COREF zich in om ervoor te zorgen dat deze mensen erkend worden als Joden en bijgevolg als slachtoffers van het nazisme, in plaats van een potentieel gevaar voor de naoorlogse Belgische samenleving.
Pas in april 1945 kwam er een regeling waarbij Joden uit het Reich een "getuigschrift van burgertrouw" konden aanvragen, waarna op hun identiteitskaart de stempel "Duitscher (niet-vijand)" werd aangebracht. Pas op 13 januari 1947 kwam er een Besluitwet waardoor onderdanen van landen die de Belgische en geallieerde zaak hadden gediend, of door het nazi-regime als vijanden waren beschouwd, de opheffing van hun sekwester konden vragen. De wet van 14 juli 1951 bracht een definitieve, officiële regeling.
Gelukkig was het wel zo dat de Dienst van het Sekwester, wetende dat Duitsers en Oostenrijkers die vervolgd waren geweest door het het nazi-regime onrechtmatig werden behandeld, reeds voor 1947, in afwachting van verdere wettelijke bepalingen, aan bepaalde categorieën van Duitsers en Oostenrijkers het beheer van hun goederen opnieuw had overgelaten. De hele procedurele strijd strooide zout in een onmogelijk te helen wonde.
Het moge duidelijk zijn: om dictatoriale maatregelen van een bezettingsmacht recht te trekken, beschikte de democratische rechtsstaat slechts over een zwak instrumentarium. De raciaal vervolgden waren hier in grote mate het slachtoffer van. Op vrijwel alle vlakken van rechtsherstel bleven ze in de kou staan, of werden ze geconfronteerd met lange, uitputtende procedures. De meeste materiële zaken waren voorgoed verdwenen en werden laat of niet gecompenseerd.
Het juridisch attesteren van een vermoedelijk overlijden van een gedeporteerde, zou nog jaren op zich laten wachten. Deze regularisatie vond geenszins plaats in het eerste jaar na de bevrijding en had tal van praktische gevolgen voor de overlevenden: eigendom kon niet overgedragen worden op erfgenamen en aangezien in de meeste gevallen ook de datum van vermoedelijk overlijden niet kon worden vastgesteld, creëerde dat praktische moeilijkheden in verband met eventuele nalatenschappen. En dat alles bovenop de ondenkbare gedachte dat men na jaren hopen op alsnog een mirakel en een terugkeer, er een document opgesteld werd dan enkel en alleen kon aangeven wat men het overlijden van een geliefde vermoedde, niet dat het met zekerheid vastgesteld was. Het daadwerkelijke lot en de laatste uren van de geliefden bleven in de meeste gevallen voor altijd onbekend.
Auteursrechten : Alle rechten voorbehouden
Weblegende : Camille Huysmans, burgemeester van Antwerpen (1933-1940; 1944-1946), heeft na de oorlog veel steun verleend aan de Joodse gemeenschap.
Auteursrechten : Alle rechten voorbehouden
Originele legende : Overzichtstabel van het Joods Verdedigingscomité van Charleroi in 1944.
De heropstart van de Joodse sociale hulp
Om deze humanitaire crisis het hoofd te bieden, transformeerde het clandestiene Joods Verdedigingscomité (JVC-CDJ) zich in oktober 1944 tot een officiële nationale hulporganisatie: de Aide aux Israélites Victimes de la Guerre (AIVG). Deze organisatie nam ook een deel van de sociale hulp die tijdens de oorlog door de Vereniging van Joden in België (VJB) was georganiseerd, zoals de VJB-kindertehuizen, over.
Gesteund door fondsen van het American Jewish Joint Distribution Committee coördineerde de AIVG vanuit Brussel de sociale hulp in het hele land, met afdelingen in steden als Brussel, Antwerpen (onder de naam Hulp aan Israëlieten Slachtoffers van de Oorlog, HISO) en Luik. Brussel was na de bevrijding onmiskenbaar de stad met het grootste aantal Joodse inwoners - er woonden nog ongeveer 4.000 Joden legaal in de stad bij de bevrijding - en gedurende de hele oorlog waren in Brussel bovendien Joodse organisaties blijven functioneren, ook de synagoge was nog open.
Het was dan ook logisch dat Brussel dé spil van de Joodse sociale hulp was. Antwerpen, de stad die tot de vervolging het grootste aantal Joodse inwoners in België had, telde bij de bevrijding slechts een honderdtal Joodse inwoners en was met de aanhoudende V-bommen van oktober 1944 tot maart 1945 ook niet onmiddellijk een aantrekkelijke plek om te wonen. Naar schatting steeg het aantal Joden in Antwerpen van ongeveer 1.200 enkele maanden na de bevrijding tot een 2000-tal in de loop van 1945.
Vooral dankzij de grote financiële steun van het American Jewish Joint Distribution Committee kon de AIVG in de meest urgente behoeften voorzien: voedsel, kleding, onderdak voor gerepatrieerden, en kleine leningen via speciaal opgerichte coöperatieven om ambachtslieden weer aan het werk te helpen. Naast materiële steun zette de AIVG een 'Dienst voor Opsporingen' op poten, waar men de deportatielijsten kond raadplegen op zoek naar een spoor van hun naasten. Ze leverden allerhande administratieve attesten (bijvoorbeeld van inschrijving in het Jodenregister, voor het dragen van de Jodenster, enz.) en boden administratieve en juridische hulp voor de overlevenden. Die zagen zich vaak geconfronteerd met een hele bureaucratische mallemolen en regularisatie van zaken die omwille van de oorlogsomstandigheden niet langer in orde waren en nu geregeld dienen te worden, zoals achterstallige belastingen.
In de sociale hulp aan de slachtoffers speelden ook Joodse militairen binnen de geallieerde legers een rol. In het Amerikaanse, Britse en Canadese leger dienden talloze Joden. Ook zij boden ad-hoc noodhulp in de vorm van voedselpakketten, kaarsen of kledij, maar fungeerden ook als een vitale communicatielijn. Velen van hen spraken Jiddisch, wat hen in staat stelde direct te communiceren met de veelal Oost-Europese Joodse overlevenden in België. Voor de getraumatiseerde overlevenden betekenden deze soldaten een eerste, tastbare connectie met de buitenwereld.
De geallieerde Joodse soldaten speelden bovendien een sleutelrol in de spirituele en sociale heropleving. De eerste religieuze vieringen, zoals Jom Kipoer en Chanoeka in het najaar van 1944, werden gezamenlijk gevierd door overlevenden en soldaten, vaak in half-verwoeste synagogen of opvangcentra. De allereerste eredienst in Antwerpen na de bevrijding werd gehouden door kaplan Jaffo uit Manchester, die samen met de geallieerde troepen Antwerpen was binnengetrokken. In Luik organiseerde de Joodse Amerikaanse leger-rabbijn Brody samen met de lokale voorganger Iosif Lepkifker in het voorjaar van 1945 een grote Pesach Seder voor Amerikaanse soldaten en overlevenden.
Deze gedeelde momenten van rouw en wederopstanding zorgden voor intense emotionele banden; het leidde zelfs tot talloze naoorlogse huwelijken tussen geallieerde soldaten en Joodse overlevenden (zogenaamde war brides) in België.
Collectie : Collectie Eli Ringer
Auteursrechten : Alle rechten voorbehouden
Weblegende : Het kind Eli Ringer houdt de hand vast van David Stein, een orthodox-joodse Amerikaanse GI.
Auteursrechten : Alle rechten voorbehouden
Weblegende : Home Manaster voor joodse weeskinderen tijdens het Chanoeka-feest in 1948.
De 'Kinderkwestie'
Geen enkel naoorlogs dossier was zo emotioneel beladen als het lot van de Joodse weeskinderen, de zogenoemde "Kinderkwestie". Bij de bevrijding bevonden zich ongeveer 500 kinderen
in de vijf door de VJB-beheerde tehuizen, maar daarnaast waren er nog veel meer Joodse kinderen die de oorlog in de clandestiniteit in België hadden overleefd: ongeveer 2.200 kinderen waren door het Joods Verdedigingscomité verstopt, meer dan 1.000 door de netwerken van Abbé Joseph André, Max-Albert Van den Berg en Père Bruno Reynders en daarnaast waren er nog netwerken actief; vaak ook waren kinderen door hun ouders rechtstreeks ondergebracht bij niet-Joodse gezinnen, in weeshuizen of kloosters.
Na de bevrijding rees de vraag wat er met deze kinderen moest gebeuren en wanneer. Moest er onmiddellijk na de bevrijding actie worden ondernomen of pas wanneer er zekerheid was over het lot van de ouders? En primeerde deze terugkeer naar de Joodse gemeenschap boven materiële mogelijkheden? Deze vragen leidden tot scherpe conflicten, enerzijds tussen de Joodse gemeenschap en de katholieke redders, en anderzijds binnen de Joodse gemeenschap zelf. Sommige katholieke instellingen weigerden de kinderen terug te geven, zeker wanneer de kinderen intussen gedoopt waren of sterk gehecht waren geraakt aan hun pleegouders. Voogdijzaken moesten soms voor de rechter worden uitgevochten.
Binnen de Joodse hulporganisaties woedde een felle ideologische strijd. Voor religieuze en zionistische groeperingen was het ondenkbaar dat deze kinderen opgroeiden buiten de Joodse traditie; zij vonden dat de Joodse gemeenschap, die al zo gedecimeerd was, deze jeugd niet ook nog mocht verliezen. Zionistische organisaties, gesteund door de Joodse Brigade van het Britse leger, richtten in het Henegouwse Marquain een landbouwschool (hachshara) op om weeskinderen, waaronder velen uit de regio Luik, voor te bereiden op emigratie naar Brits Mandaatgebied Palestina.
Joodse communisten en vrijzinnigen binnen de AIVG stelden zich pragmatischer op: zij bepleitten dat kinderen die goed geïntegreerd waren in hun niet-Joodse pleeggezin, daar beter konden blijven om hen niet voor een tweede keer te traumatiseren. Tijdens het eerste bevrijdingsjaar werden tal van nieuwe weeshuizen opgericht om de jongste overlevenden van de Holocaust op te vangen in een Joodse omgeving. Op 31 december 1945 beheerde de AIVG 11 tehuizen.
De kinderen van toen, de jongste overlevenden, werden lange tijd niet gehoord in dit hele verhaal. Pas in 1991 werd internationaal The Hidden Child Foundation opgericht, met onder meer een Belgische afdeling. De kinderen van toen hadden tegen die tijd de leeftijd om grootouders te zijn. Binnen de gemeenschap was eerst geluisterd naar de kampoverlevenden en waren vooral de ontelbare doden herdacht. De “gelukkigen” die niet gedeporteerd waren en overleefden, droegen jarenlang hun verhaal, hun verdriet en hun trauma in stilte of in de privé-sfeer.
Auteursrechten : Alle rechten voorbehouden
Weblegende : De kleuterafdeling van de Tachkemoni-school, heropend na de bevrijding.
Heropbouw van de gemeenschap en het collectieve geheugen
Ondanks alle hindernissen veerde het georganiseerde Joodse leven verbazingwekkend snel op. Dat de kwestie van de Joodse kinderen en hun opvoeding als cruciaal werd beschouwd, is ook merkbaar aan het feit dat in Antwerpen op 5 oktober 1944 reeds een “Verenigde Joodse school” opende en dat nog vóór het einde van de Tweede Wereldoorlog in mei 1945 reeds de twee vooroorlogse Joodse dagscholen, Jesode Hatora-Beth Jacob en Tachkemoni, al opnieuw waren opgestart, ook al was het voor een gedecimeerd aantal leerlingen.
Het religieuze karakter van de Antwerpse gemeenschap werd na de oorlog versterkt, terwijl in de rest van het land het orthodoxe religieuze leven minder in het oog sprong. De vooroorlogse erkende Joodse gemeenten hernamen hun activiteiten onder leiding van het Centraal Israëlitisch Consistorie in Brussel en ook een divers Joods verenigingsleven kwam relatief snel weer op gang.
Toch ontbrak het in de brede Belgische samenleving aan erkenning voor het specifieke lot van de Joden. In de naoorlogse zuiveringen en strafprocessen stond het verraad tegenover de Belgische staat centraal, niet de medeplichtigheid aan de Holocaust. Terwijl de beulen van Breendonk streng werden gestraft, bleven veel ambtenaren en politieagenten die actief hadden meegewerkt aan de Jodenjacht buiten schot.
Tegen de leiders van de Vereniging van Joden in België en Joodse collaborateurs werd intern in de Joodse gemeenschap wel bewijsmateriaal verzameld, maar toen deze stukken overgedragen werden aan het Belgische gerecht werden deze zaken uiteindelijk geseponeerd. Veelzeggend is ook dat SS-er Kurt Asche, verantwoordelijk voor het organiseren van de Jodendeportaties uit België, pas in 1981 in Kiel hiervoor veroordeeld werd. Gerechtigheid en het veroordelen van degenen die deel hadden aan de Jodenvervolging in België was onmiddellijk na de bevrijding niet aan de orde.
Auteursrechten : Alle rechten voorbehouden
Weblegende : Herdenking op 26 september 1944, tijdens een bijeenkomst van ongeveer 2000 Joodse soldaten. Aan de hoofdtafel : burgemeester Anseele (vierde van links) en aan zijn rechterzijde rabbijn Klepfisch, een kapitein in het Poolse leger dat de stad bevrijdde.
Ook de herdenkingscultuur weerspiegelde deze onverschilligheid. In de eerste jaren na de oorlog was er geen ruimte voor het verhaal van raciale vervolging in de nationale herdenkingen, die gedomineerd werden door gewapend verzet en politieke gevangenen. Joodse overlevenden herdachten hun doden aanvankelijk vooral in de marge, of zetten het Joodse verzet in de verf door Joodse partizanen of de uit Antwerpen gedeporteerde verzetsheldin Mala Zimetbaum te herdenken. De vervolging kwam verder ook onder de aandacht via het huldigen van niet-Joodse redders, en zeker bekende publieke figuren als koningin Elisabeth en kardinaal Van Roey (waarvan intussen geweten is dat zij geen eenduidige verzetshelden waren). De erkenning van de Dossinkazerne als centrale plaats voor de Joodse tragedie liet nog decennialang op zich wachten.
Voor de Joodse overlevenden was het bevrijdingsjaar eerder een uitdaging en een bittere ontgoocheling dan een feest. Na jaren van vervolging bracht de bevrijding nieuwe zorgen en uitdagingen waar ze niet op voorbereid waren. In plaats van onmiddellijk herstel en rust, moesten zij met een fractie van hun vooroorlogse gemeenschap, te midden van onbegrip, administratieve barrières en een gebrek aan staatssteun, strijden voor hun materiële overleving, de hereniging met hun kinderen en de wederopstanding van hun Joodse identiteit.
Bibliografie
Daniel Dratwa (red.), Libération et reconstruction. La vie juive en Belgique après la Shoah. Brussel: Belgisch Joods Museum, 1994.
Catherine Massange, Bâtir le lendemain. L'Aide aux israélites Victimes de la Guerre et le Service Social Juif de 1944 à nos jours. Brussel: Didier Devillez, 2002.
Catherine Massange, ‘La situation des Juifs en Belgique au lendemain de la Libération’, Les cahier de la mémoire contemporaine, 11, 2014, p. 105-126.
Veerle Vanden Daelen, ‘Het Leven moet doorgaan. De Joden in Antwerpen na de bevrijding, 1944-1945’, Bijdragen tot de Eigentijdse Geschiedenis, 13-14, 2004, p. 141-145.
Veerle Vanden Daelen, Laten we hun lied verder zingen: De heropbouw van de joodse gemeenschap in Antwerpen na de Tweede Wereldoorlog (1944-1960). Amsterdam: Aksant, 2008.
Themanummer n°139 | Testimony Between History and Memory
Het tijdschrift Getuigen/Témoins schonk aandacht aan de 80ste verjaardag van de bevrijding met een themanummer (nr. 139) over de bevrijding van België. Het besteedt aandacht aan de periode van september 1944 tot het einde van 1945 met bijdragen over de bevrijding van de Dossinkazerne (Laurence Schram) en Breendonk (Richard Menkis), de ontmoetingen tussen geallieerde Joden en lokale Joodse overlevenden in Antwerpen (Veerle Vanden Daelen) en het Joods leven in Luik (Thierry Rozenblum), ingeleid door Veerle Vanden Daelen en Frédéric Crahay.





.jpg)





