België in oorlog / Persoonlijkheden

Fernand Baudhuin

Auteur : Luyten Dirk (Instelling : CegeSoma)

De geschiedschrijving van aspecten van de bezetting kwam in België merkwaardig vroeg op gang, ondanks het ontbreken van een instituut dat, zoals het Nederlandse RIOD, onmiddellijk na de oorlog de opdracht kreeg de geschiedenis van de bezetting te schrijven. Eén van de pioniers van dit bijzondere historiografische genre is de Leuvense economist Fernand Baudhuin (1894-1977), die al in 1944, net na de bevrijding zijn L’économie belge sous l’occupation 1940-1944 publiceerde. Het boek, dat nooit naar het Nederlands werd vertaald,  beleefde al in maart 1945 een tweede druk.

De economie was toen nog een jonge wetenschap : Fernand Baudhuin was doctor in de Rechten en in de Politieke en Diplomatieke wetenschappen, maar doceerde economie, eerst aan de handelsschool van de Leuvense universiteit, later ook aan de Rechtsfaculteit. Behalve hoogleraar was Baudhuin ook journalist: in de conservatief-katholieke La Libre Belgique, schreef hij wekelijks een invloedrijk economisch editoriaal. 

Economisch historicus

Baudhuin ontwikkelde zich na de Tweede Wereldoorlog tot economisch historicus. In verschillende volumes beschreef hij de economische geschiedenis van België tussen 1914 en 1968. Het boek over de bezettingseconomie past in dat rijtje. Baudhuin schetst in L’économie belge sous l’occupation een algemeen overzicht van de impact van de bezetting op de Belgische economie. Hoewel het boek zal uitgroeien tot één van de basiswerken over de economische geschiedenis van de bezetting beschouwde Baudhuin het zelf niet als een echte economische geschiedenis. In het symbolisch op 11 november 1944 gedateerde voorwoord geeft hij aan dat hij bewust niet gekozen heeft voor de titel "Histoire de l’économie belge sous l’occupation" omdat nog niet alle gegevens gekend waren, dossiers nog gesloten bleven en omdat de tijdsafstand tot de gebeurtenissen nog te kort was. Het boek past dus eerder binnen het genre van de histoire immédiate; het beschrijven van een periode die degene die de geschiedenis schrijft zelf bewust heeft meegemaakt, kort na de feiten. Zoals we zullen zien geldt dit zeker voor Baudhuin, die niet alleen getuige was van de materie die hij beschrijft maar ook een actor was. Niettemin plaatste Baudhuin de bezetting in een iets ruimer tijdsperspectief dat aanvangt met de oorlogsvoorbereiding in de late jaren 1930 : ongeveer een vierde van het aantal pagina’s is gewijd aan die oorlogsvoorbereiding -waarbij onder meer de voorraadvorming aan bod komt - en aan de periode van de gewapende neutraliteit.

Een andere historiografische categorie waarin Baudhuin past is die van de histoire événementielle : het boek bevat een veelheid aan feiten en het corpus wordt voorafgegaan door een gedetailleerde chronologie (éphémérides). Toch is het boek meer dan een kroniek en is er sprake van problematisering, impliciet of expliciet. Dat blijkt niet alleen uit tussentitels als les éléments du problème juridique et moral; Baudhuin vraagt zich bijvoorbeeld ook af met welke problemen de beleidsmakers bij de oorlogsvoorbereiding geconfronteerd werden, hoe ze die oplosten en geeft zijn eigen visie. Die is soms kritisch - zo wijst hij op de negatieve gevolgen van de massale militaire mobilisatie op de economie en in het bijzonder op de landbouw – maar door de band toont hij veel begrip voor de keuzes van ondernemers en beleidsmakers. ‘Avec ou sans erreur dans l’exécution, le problème de la défense nationale belge était insoluble’, zo nuanceert hij zijn oordeel over de negatieve economische gevolgen van de grootschalige mobilisatie. 


econo-belge-couv.jpg

Een liberaal economist

31321-de-winter-dAtail.jpg
Instelling : Cegesoma
Oorspronkelijke legende : Het Boerenfeest op de "Kruisberg" (détail), Emile De Winter, s.d. (1941-1943)

Op één precies punt is Baudhuin echter uitgesproken kritisch : de manier waarop de ravitaillering tijdens de bezetting werd aangepakt. Secretaris-generaal Emiel De Winter (1902-1985) is daarbij kop van jut. Hem werden talrijke beleidsfouten verweten : hij gedroeg zich volgens Baudhuin als een kruidenier die erover waakte dat niemand meer kreeg dan waar hij recht op had terwijl hij zich in de eerste plaats had moeten opstellen als een producent die erop uit was eerst zoveel mogelijk te produceren om die meeropbrengst dan te verdelen. Baudhuin nam De Winter vooral de oprichting van de Nationale Landbouw- en Voedingscorporatie kwalijk, voor Baudhuin een geheel nutteloze bureaucratie, die geen enkele bijdrage had geleverd aan het oplossen van het voedseltekort, maar vooral veel papier had geproduceerd : ‘Quoi qu’il en soit, si le papier avait nourri, la CNAA aurait merveilleusement résolu le problème de l’alimentation en temps de guerre’. (p. 161). 

Het oordeel van Baudhuin is in het licht van het latere onderzoek over ravitaillering overtrokken en mist nuance, maar de passage over De Winter leert veel over de onderliggende visie van Baudhuin. De polemiek over De Winter is een gelegenheid om de verdiensten van het economisch liberalisme, waar Baudhuin sterk aan was gehecht, in de verf te zetten en de positieve rol van de privé-sector te benadrukken. Onder verwijzing naar een illustratie in een propagandistisch huldealbum naar aanleiding van het tweejarig bestaan van de NLVC waarin liberalisme en geleide economie tegenover elkaar werden geplaatst en het liberalisme werd verweten dat het ongelimiteerde import, overproductie en oververzadiging van de markt toeliet, wees Baudhuin erop dat dergelijk verwijt beslist niet kon worden gemaakt aan de NLVC en de door haar belichaamde geleide economie … (p. 253). Binnen de NLVC zag Baudhuin toch nog één lichtpuntje : van de tien hoofdgroepen per product (granen, aardappelen…) functioneerde een aantal naar behoren, niet toevallig waar werd samengewerkt met de privé-sector (graanimporteurs en maalderijen) of met vooroorlogse private organisaties zoals in de sector van de brouwerijen en de mouterijen. Baudhuin meende verder dat het aangewezen was geweest meer suikerbiet te verbouwen omdat dat één van de meest economische teelten was. Het had volstaan aldus de Leuvense economist om contact op te nemen met Tiense suiker, dat sinds lang bepaalde hoeveel teeltoppervlakte zou worden gebruikt voor suikerbiet… Bij de striemende kritiek op de NLVC speelde dus ook Baudhuin’s afkeer van economische staatsinterventie mee. 


Actor

Baudhuin’s kritiek op de ravitaillering was erg toegespitst op de persoon, eerder dan op de context. In het boek gaat ook op andere punten veel aandacht uit naar personen, meer dan in een klassieke economische studie kan worden verwacht. De tekst wordt voorafgegaan door een necrologie, met een centrale plaats voor parlementairen. Nieuwe economische beleidsmakers zoals Victor Leemans (1901-1971) of de commissaris voor prijzen en lonen Paul Beeckman (1900-1978) krijgen een biografisch portret dat door de band niet erg lovend uitviel : het ging immers om personen die behoorden tot ‘cette minorité de mécontents que l’on rencontre dans tous les pays’, ‘des ratés de toutes espèces’, (p. 172) die zich vaak hadden aangesloten bij extremistische partijen, maar er niet in slaagden hun localisme te ontstijgen : ‘Dans un village flamand où, soit l’instituteur, soit le brasseur est en lutte avec le vicaire, le premier deviendra nationaliste flamand, c’est à dire VNV’ (p. 173).

     De scherpe kritiek op De Winter had ook een persoonlijke achtergrond. Baudhuin, die onder meer landbouweconomie doceerde, had in 1939 in het Bulletin de l’Institut d’Etudes Economiques een plan uiteengezet om voedselschaarste tijdens een bezetting te vermijden, dat hij veel beter vond dan het beleid van De Winter. Dit wijst erop dat Baudhuin geen ‘kamergeleerde’ was, maar iemand die op het beleid wou wegen.

       Dat komt ook elders zij het impliciet naar voor in L’économie belge sous l’occupation. Baudhuin verdedigde de politiek van het Galopin-comité en de Galopin-doctrine, waar hij slechts indirect naar verwees, wat merkwaardig mag worden genoemd omdat hij zelf betrokken was geweest bij de herformulering ervan in 1941. Baudhuin doet verslag van de bekende vergadering van 1 april 1941 waarin ’24 personnalités parmi lesquelles on comptait des industriels, des juristes et des économistes’ met Galopin overlegden over de problematiek van de productie voor Duitsland. Dat Baudhuin zelf één van de 24 ‘personaliteiten’ was, komt de lezer echter niet te weten.

      Dit punt leidt tot een volgend kenmerk van het boek dat het doet afwijken van een klassieke historisch studie : het bijna volledig ontbreken van bronverwijzingen en van een bibliografie. Ook bij de uitgebreide statistische bijlage is dat het geval. Het feit dat Baudhuin al snel met cijfers kon komen wijst erop dat hij goede persoonlijke contacten had met instanties die cijfers produceerden zoals de administraties. Eén van de tabellen geeft de kleinhandelsprijzen tijdens de bezetting, die blijken afkomstig te zijn van Relevés officieux de l’administration. Waar de jaarcijfers van de bankdeposito’s tussen 1939 en 1942 vandaan komen is helemaal niet duidelijk, terwijl de officieuze beurskoersen van 31 juli 1940 gebaseerd waren op ‘eigen waarnemingen’.

    Het boek geeft tevens cijfers die men niet direct in een economische geschiedenis zou verwachten zoals de oplagecijfers van de gecensureerde pers, die afkomstig waren van het agentschap Dechenne en van de post… Voor de oplagecijfers van de weekbladen geeft Baudhuin geen indicatie van de herkomst. L’économie belge sous l’occupation vertrekt van een brede visie op de economie, waarbij ook sociale aspecten als lonen en werkloosheid aan bod komen. De demografie wordt eveneens in de analyse betrokken. Veel aandacht gaat begrijpelijkerwijze uit naar landbouw en voeding, centrale economische problemen tijdens de bezetting. Het boek zelf besteedt bovendien ruim aandacht aan het institutionele (‘les organismes nouveaux’). Het institutionele bepaalt in sterke mate de chronologische cesuren die Baudhuin in de bezetting ziet. De omstandigheid dat er institutioneel grote veranderingen plaatsvonden onder impuls van de bezetter verklaart dit accent, maar de initiële vorming van Baudhuin als jurist is hier wellicht ook niet vreemd aan. Het boek vertrekt niet vanuit een economisch-theoretische vraagstelling, waardoor het dichter bij de werkwijze van de historicus aanleunt dan bij dat van een economist.

Een Belgisch-patriottische visie

In het algemeen geldt dat het boek een patriottische en Belgicistische visie aanhangt, die zowel expliciet is - België heeft als kleine Natie erg geleden onder de oorlog zo luidt de boodschap - als impliciet. Baudhuin stelt zich primair op het standpunt van de grote exportgerichte bedrijven uit de zware nijverheid, in de eerste plaats de steenkoolmijnen, die de ruggengraat van de toenmalige economie vormen en bekijkt van daaruit de economische evolutie tijdens de bezetting.

Het hoofdstuk getiteld ‘L’activité économique’ handelt bij nader toezien over de (groot)industrie. Veel aandacht gaat uit naar de financiële sector, die in het door de holdings gedomineerde Belgische kapitalisme een sleutelrol speelden. Wat de productie voor Duitsland betreft schetst Baudhuin, op basis van de winsten van de vennootschappen en uitgekeerde dividenden een rooskleurig beeld van de opstelling van de zware industrie, die zich volgens Baudhuin wel degelijk inspande om artikel 115 van het strafwetboek te volgen en zeker niet op winstmaximalisatie was uit geweest. Voor de textielindustrie, vooral gesitueerd in Vlaanderen en veel minder gecontroleerd door de holdings stak hij zijn hand dan weer niet in het vuur. Die sector, gedomineerd door eenpersoonsbedrijven of familiale ondernemingen ‘a eu une conduite moins nette’; een bewering die niet cijfermatig werd onderbouwd.

Dat Baudhuin veel begrip toonde voor de manier waarop de grootindustrie met het vraagstuk van productie voor Duitsland was omgegaan bleek duidelijk na de oorlog, toen Baudhuin zich samen met zijn ULB-collega Georges De Leener (1879-1965) in juli/augustus 1945 mengde in het debat over de vervolging van de economische collaboratie. Baudhuin koos daarbij de kant van de grootindustrie tegen het Belgische gerecht, dat zich vergreep aan ‘des dizaines de milliers de braves gens’ in plaats van de echte verraders te bestraffen. In een apologetische brochure die hij samen met De Leener schreef was hij bijzonder assertief : de Belgische industriëlen viel niets te verwijten; ze moesten integendeel fier zijn op hun houding en handigheid tijdens de bezetting, die ertoe geleid had dat het nationale industriële apparaat gevrijwaard bleef, de verplichte tewerkstelling tot een minimum kon worden teruggebracht en de bijdrage van België aan de Duitse oorlogsinspanning beperkt bleef.

       In de jaren 1970 nam Baudhuin opnieuw de verdediging op van de Belgische industriëlen, ditmaal tegen de Amerikaanse economische historicus John Gillingham die in 1977 in zijn boek ‘Geld maken in oorlogstijd’ de Belgische grootindustrie en holdings ervan beschuldigde de weg van de economische collaboratie te hebben gekozen. Baudhuin polemiseerde met Gillingham in het Belgisch Tijdschrift voor Nieuwste Geschiedenis. Dit wijst erop dat Baudhuin toen nog steeds een zeker aanzien had als economisch historicus over de Tweede Wereldoorlog. Geheel onterecht is die reputatie niet : de Engelstalige economische geschiedenis van België in de twintigste eeuw van de hand van André Mommen, uitgegeven bij Routlegde in 1994 verwijst bijvoorbeeld nog vaak naar de werken van Baudhuin. Hoewel het onderzoek over de economische geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog sedert de jaren 1970 verder is ontwikkeld, is er recent geen nieuwe synthese geschreven over de bezettingseconomie. Baudhuin’s boek uit 1944 kan gelden als weliswaar verouderd maar omdat het nog steeds geen opvolger heeft gekregen wordt er in de wetenschappelijke literatuur nog steeds naar verwezen.

 

3001
Instelling : CegeSoma
Collectie : Sipho
Auteursrecht : CegeSoma
Oorspronkelijke legende : [Frei gegeben durch zensur]
Webcaptie : Industrieel bekken van Charleroi tijdens de bezetting. De zware industrie blijft produceren, maar moet de grenzen in acht nemen die de doctrine van Galopin oplegt, meer bepaald het verbod om goederen van militaire aard te produceren.
3011-bassin-indus-liAgeois(2).jpg
Instelling : Cegesoma
Collectie : Sipho, Frei gegeben durch zensur
Oorspronkelijke legende : Industrieel bekken van Luik tijdens de bezetting, s.d.

Bibliografie

Baudhuin Fernand, ‘L'article de John Gillingham Ph. D. sur La politique de production de l'industrie belge durant l'occupation nazie : une réplique’ in, BTNG/RBHC, 1974, V, p. 265-267.

Baudhuin Fernand, L’économie belge sous l’occupation,1940-1944, Bruxelles, 1945.

De Leener Geores, Baudhuin Fernand, Consultations sur le travail sous l'occupation, Louvain, 1945.

Gillingham John, Belgian business in the nazi new order, Leuven, 1979.

Gillingham Jogn, Belgian business in the nazi new order, Gand : Jan Dhondt Foundation, 1977.

Mommen André, The Belgian Economy in the Twentieth Century, London-New York, 1994.

Zeegers Jacques, ‘Baudhuin, Fernand’ in Nouvelle biographie nationale 4, Bruxelles, 1997, p. 34-36 (http://www.academieroyale.be/a...).

Zie ook

163792 Artikels Vervolging (de) van de economische collaboratie als politiek strijdpunt Luyten Dirk
2998 Artikels Economische collaboratie Luyten Dirk
274199 Artikels Commissariaat voor Prijzen en Lonen Luyten Dirk